blog

    Onverbindend verklaarde beheersverordening

    Tycho Lam
    Tycho LamPublicatiedatum: 1 september 2015

    Op 14 augustus 2015 heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ‘de voorzieningenrechter’) een mondelinge uitspraak gedaan waarin wordt aangegeven het gevolg is van een (deels) onverbindend verklaarde beheersverordening (ECLI:NL:RVS:2015:2732).

    Essentie

    In de uitspraak wordt overwogen dat het gevolg van het (deels) onverbindend verklaren van een beheersverordening is dat het voorheen geldende bestemmingsplan herleeft.

    Nader bekeken

    In de kwestie waarover de voorzieningenrechter zich heeft gebogen, heeft verzoeker het college van burgemeester en wethouders van Ooststellingwerf (hierna: ‘het college’) verzocht om handhavend op te treden tegen de plaatselijke motorclub. De motorclub was voornemens een motorcrosswedstrijd te organiseren. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat het motorcrossterrein in strijd met planologische regels wordt gebruikt. Op 29 juni 2015 oordeelde de rechtbank Noord-Nederland dat de beheersverordening wegens strijd met artikel 3.38, lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: ‘Wro’) onverbindend is. De voorzieningenrechter laat in het midden of dit daadwerkelijk het geval is. Wel overweegt de voorzieningenrechter dat als gevolg van de onverbindendverklaring het voorheen geldende bestemmingsplan herleeft.

    Wij betwijfelen of het oordeel van de voorzieningenrechter dat na een onverbindendverklaring van een beheersverordening het voorgaande geldende bestemmingsplan herleeft, juist is. De voorzieningenrechter lijkt namelijk voorbij te gaan aan het gegeven dat het voorheen geldende bestemmingsplan van rechtswege is vervallen.

    Krachtens artikel 3.39, lid 1, van de Wro vervalt het (voorheen geldende) bestemmingsplan namelijk van rechtswege op het tijdstip van inwerkingtreding van de beheersverordening. Op het moment dat de rechtsgrond voor de beheersverordening vervalt, heeft dat als gevolg dat er voor het betreffende gebied een ‘planologisch-juridisch vacuüm’ ontstaat; een ‘witte vlek’. Onverbindendverklaring heeft immers, anders dan vernietiging, niet tot gevolg dat een eerdere bestemmingsplanregeling, die met de inwerkingtreding van de beheersverordening is vervallen ‘herleeft’.

    De vraag wat het gevolg is van een (deels) onverbindende beheersverordening komt ook aan de orde in een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland (zaaknummer: LEE 15/2897, niet gepubliceerd. Op verzoek kunnen wij deze uitspraak toesturen). In die kwestie werd handhavend opgetreden door het college van Borger-Odoorn wegens strijd met de planologische regels van de beheersverordening. De Voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland verklaarde de beheersverordening onverbindend en overwoog:

    “6.3. Gelet op hetgeen is opgenomen in de beheersverordening, hetgeen is opgenomen in de gedingstukken en het verhandelde ter zitting, staat vast dat in de beheersverordening niet het destijds bestaande gebruik op het perceel — te weten Grondgebonden agrarisch bedrijf’ — is vastgelegd. Gelet op dat feit is de voorzieningenrechter met verzoeker van oordeel dat de beheersverordening onverbindend is, voor zover de beheersverordening ziet op het perceel, omdat sprake is van strijd met artikel 3.38, eerste lid, van de Wro. Om die reden kan in dit geval dus geen sprake zijn van overtreding van de beheersverordening.

    6.4. De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat in dit geval evenmin sprake kan zijn van overtreding van het oude bestemmingsplan. Met de inwerkingtreding van de beheersverordening op 26 juni 2013 is dat bestemmingsplan immers van rechtswege vervallen.”.

    De conclusie van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland vindt steun in de parlementaire geschiedenis bij artikel 3.39 van de Wro. De minister heeft bij de parlementaire behandeling van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening ten aanzien van dit punt overwogen (Kamerstukken II 2006/07, 30 938, nr. 7, p.14):

    “(…)Ten aanzien van beheersverordeningen is niet voorzien in bestuursrechtelijke rechtsbescherming. Dat betekent dat de burgerlijke rechter kan worden benaderd, maar dat deze een beheersverordening geheel of gedeeltelijk buiten werking zou stellen is niet erg waarschijnlijk. Praktisch gesproken is eerder denkbaar dat de bestuursrechter, naar aanleiding van een beroep tegen een besluit dat op een beheersverordening is gebaseerd, oordeelt dat een onderdeel van die verordening onverbindend is, bijvoorbeeld wegens strijd met een hogere regeling. Dat oordeel zal ook gelden voor vergelijkbare gevallen, zodat er een «gat» ontstaat. Hierbij is van belang dat het oude bestemmingsplan niet meer geldt en ook niet herleeft. Dat plan is immers vervallen op grond van artikel 3.39 Wro. Als er een groter of kleiner gat ontstaat in de beheersverordening zal de gemeente hierin moeten voorzien door daarvoor een (herziene) beheersverordening vast te stellen.(…)”.

    Dat van rechtswege vervallen bestemmingsplannen niet ‘herleven’ volgt eveneens uit de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2013 (zaaknummer: 201305956, TBR 2014/24, m.nt. H.J. de Vries). In die kwestie oordeelde de Afdeling:

    “(…)Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 10 maart 2010 in zaak nr. 200907266/1/H1), moet uit de artikelen 9.3.2 en 9.1.4, vierde lid, van de Invoeringswet Wro, in onderlinge samenhang bezien, worden afgeleid dat de onder de Woningwet 1901 tot stand gekomen uitbreidingsplannen hun rechtsgevolg behouden tot vijf jaar na inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening. Dit betekent dat deze plannen hun rechtsgevolg per 1 juli 2013 hebben verloren. Om te voorkomen dat na de vernietiging van de voornoemde plandelen ter plaatse geen planologisch regime geldt, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat het “uitbreidingsplan in hoofdzaken herziening 1962” en de “partiële herziening 1964 “Hoge Akkers West” van het uitbreidingsplan in hoofdzaken” ter plaatse gelden tot de inwerkingtreding van het nieuw vast te stellen bestemmingsplan.(…)”.

    Ook in vorenstaande uitspraak volgde uit de wet wanneer een bestemmingsplan komt te vervallen. Om te voorkomen dat in dat geval een planologisch-juridisch vacuüm ontstond, heeft de Afdeling een voorlopige voorziening getroffen. Deze uitspraak van de Afdeling illustreert dat wanneer een bestemmingsplan op grond van de (Invoeringswet) Wro van rechtswege vervalt, dit bestemmingsplan niet meer kan ‘herleven’.