blog

    Heeft een door de rechter opgemaakt proces-verbaal dezelfde executoriale kracht als een vonnis?

    Richard van Breevoort
    Richard van BreevoortPublicatiedatum: 2 mei 2014

    De kortgedingrechter van de rechtbank Den Haag heeft op 27 maart 2014 geoordeeld dat een tijdens een zitting door een rechter opgemaakt proces-verbaal waarin een schikking tussen partijen is vastgelegd, niet gelijk kan worden gesteld aan een vonnis met executoriale kracht. Onbetwist is dat een dergelijk proces-verbaal net als een vonnis wel kan worden geëxecuteerd. Toch is er een belangrijk verschil.

    Wat was het geval?

    In het proces-verbaal was vastgelegd dat partij A aan partij B op uiterlijk 20 juli 2008 een geleend bedrag zou terugbetalen, waarna partij B het door haar ten laste van partij A gelegde conservatoir beslag zou opheffen. Ondanks dat partij A het bedrag niet heeft terugbetaald, verzoekt hij om opheffing van het beslag. Hij voert aan dat de vordering tot betaling van partij B zou zijn verjaard. Door die verjaring zou de grondslag aan het beslag zijn ontvallen en diende het opgeheven te worden.

    Partij A meende dat de vordering van partij B als vordering tot nakoming van een verbintenis uit een overeenkomst in de zin van artikel 3:307 BW was verjaard wegens het verstrijken van méér dan 5 jaar nadat zij (vanaf uiterlijk 20 juli 2008) opeisbaar was geworden.

    Partij B meende daarentegen dat de bevoegdheid van artikel 3:324 BW om het proces-verbaal waarin die overeenkomst was vastgelegd gedurende 20 jaar ten uitvoer te leggen, nog niet was verjaard.

    Het oordeel van de rechter

    De kortgedingrechter oordeelde dat de 20-jarige verjaringstermijn van artikel 3:324 BW geldt voor een rechterlijke of arbitrale uitspraak en dat een door de rechter opgemaakt proces-verbaal niet gelijk te stellen is met een dergelijke uitspraak. Hij beveelt dan ook de opheffing van het beslag, omdat de vordering tot terugbetaling naar de maatstaven van artikel 3:307 BW wel was verjaard.

    In artikel 3:324 BW wordt inderdaad gesproken van een rechterlijke of arbitrale uitspraak. Een proces-verbaal met daarin een door partijen aangegane vaststellingsovereenkomst is geen rechterlijke uitspraak, omdat zij geen oordeel van de rechter bevat. Een in juridische zin juiste uitspraak dus, maar wel een die een flinke domper voor partij B en een enorme opsteker voor partij A oplevert.

    Lessen

    Indien je zelf bij het kantongerecht procedeert, dan zijn er twee belangrijke lessen uit deze uitspraak te leren.

    Zeker in kantonzaken komt het nogal eens voor dat procedures niet met een vonnis eindigen, maar met een vaststellingsovereenkomst die door de rechter wordt vastgelegd in een proces-verbaal en ter zitting door beide partijen wordt getekend. Dat proces-verbaal kan, net als een vonnis, via de deurwaarder geëxecuteerd worden. Voor het overige houdt de vergelijking met een vonnis echter op.

    In zaken die zijn geëindigd met een minnelijke regeling vastgelegd in een proces-verbaal, dien je er dus op bedacht te zijn dat je jouw daaruit voortvloeiende vorderingsrecht zo nodig telkens binnen 5 jaar stuit of laat stuiten. Doe je dat niet, dan loop je het risico dat jouw vordering verjaart.

    In zaken waarin je meent erg sterk te staan, kan dit nadeel van een proces-verbaal ten opzichte van een vonnis aanleiding zijn om niet in stemmen met een schikking, maar het op een vonnis aan te laten komen. Zeker als je niet de zekerheid hebt dat jouw wederpartij een schikking spoedig nakomt of na kan komen. De bevoegdheid om het gunstige vonnis ten uitvoer te leggen, houd je in ieder geval gedurende de eerstkomende 20 jaar.