blog

    Wijziging Leegstandwet per 1 juli 2013

    Marieke Thijssen
    Marieke ThijssenPublicatiedatum: 2 juli 2013

    Met ingang van 1 juli 2013 is de Leegstandwet op een aantal punten gewijzigd (Stb. 2013, 265 en Stb. 2013, 264). De wijzigingen hebben gevolgen voor verhuurders, huurders en gemeenten.

    Wat regelt de Leegstandwet?

    De Leegstandwet maakt het mogelijk woonruimte te verhuren zonder dat de huurder recht heeft op huurbescherming. Dat betekent dat de verhuurder de huurovereenkomst buiten de rechter om kan beëindigen. Daarvoor is niet vereist dat hij de huurovereenkomst opzegt op een in de wet genoemde grond (zoals bij een reguliere huurovereenkomst wel vereist is). De verkoop van woonruimte is geen grond waarop een reguliere huurovereenkomst kan worden opgezegd. De verhuur op basis van de Leegstandwet is om die reden een uitkomst om te koop staande woonruimte te verhuren totdat daarvoor een koper is gevonden.

    Belangrijkste voorwaarden voor verhuur woonruimte op basis van de Leegstandwet

    Om op basis van de Leegstandwet te verhuren, gelden – zowel op grond van de gewijzigde Leegstandwet als op grond van de voorheen geldende Leegstandwet – (onder meer) de volgende voorwaarden:

    1. Het moet gaan om:

    a. een woonruimte die te koop staat (en die voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 15 onder b van de Leegstandwet), of

    b. een sloop- of renovatiewoning die voor verhuur bestemd is, of

    c. een woonruimte in een gebouw dat bestemd is voor groepsgewijze huisvesting, voor verzorging of verpleging, voor logiesverschaffing of voor administratie of onderwijs.

    2. Er dient een vergunning te worden aangevraagd die vóór het aangaan van de huurovereenkomst dient te zijn verleend.

    3. B&W mogen de vergunning alleen verlenen als:

    a. de woonruimte leeg staat, en

    b. van de eigenaar niet verlangd kan worden dat hij de woonruimte anders dan door verhuur op basis van de Leegstandwet ‘dienstbaar maakt aan de volkshuisvesting’, en

    c. de eigenaar aantoont dat de woonruimte ook daadwerkelijk bewoond zal worden.

    4. De huurovereenkomst dient aan bepaalde vereisten te voldoen. Daarin dient onder andere een verwijzing naar de Leegstandwet te staan, naar de duur van de vergunning, naar de verplichte minimumduur van de huurovereenkomst en naar de verplichte opzegtermijnen.

    De huurovereenkomst geldt als een reguliere huurovereenkomst als niet voldaan is aan de voorwaarden die de Leegstandwet stelt. De huurder heeft dan recht op huurbescherming met alle gevolgen van dien (uitzonderingen daargelaten).

    Wat wijzigt er?

    Op 1 juli 2013 is de Leegstandwet op een aantal punten gewijzigd. De meest in het oog springende wijzigingen zijn:

    • B&W mogen bij de vergunningverlening voor verhuur van te koop staande woonruimte niet meer bepalen wat de maximale huurprijs is die de verhuurder in rekening mag brengen. Dat betekent dat de huurder bij verhuur van te koop staande woonruimte op basis van de Leegstandwet geen huurprijsbescherming meer geniet.
    • B&W mogen aan de vergunningverlening voor verhuur van te koop staande woonruimte geen andere voorwaarden meer stellen dan die de Leegstandwet noemt (zie hierboven onder 3). Daaraan is één voorwaarde toegevoegd:
    • B&W mogen bij de verhuur van te koop staande woonruimte alleen een vergunning verlenen als de eigenaar (niet zijnde een rechtspersoon) hooguit voor één andere woonruimte een vergunning op basis van de Leegstandwet heeft. B&W mogen voor dezelfde woonruimte wel vaker een vergunning verlenen, mits voor die woonruimte voor de duur van minimaal vijf jaar voorafgaand aan het moment waarop de vergunning is verleend, geen vergunning was verleend.
    • De duur van de vergunning bedraagt bij te koop staande woonruimte nog steeds vijf jaar. B&W dienen de vergunning voortaan wel voor vijf jaar in één keer te verlenen (in plaats van voor twee jaar met de mogelijkheid van verlenging voor telkens één jaar).
    • De duur van de vergunning voor sloop- en renovatiewoningen is voortaan zeven jaar (in plaats van vijf).
    • De duur van de vergunning van woonruimte in een gebouw dat bestemd is voor groepsgewijze huisvesting, voor verzorging of verpleging, voor logiesverschaffing of voor administratie of onderwijs bedraagt nu tien jaar (in plaats van vijf).

    Belangrijkste gevolgen van de gewijzigde Leegstandwet voor verhuurders, huurders en gemeenten

    Voor verhuurders betekent de wijziging van de Leegstandwet een verruiming van de mogelijkheden om op basis van die wet te verhuren. Voor verhuurders is het wel zaak er voor te zorgen dat een huurovereenkomst gebruikt wordt die voldoet aan de eisen die de Leegstandwet stelt.

    Het meest in het oog springende gevolg voor huurders is dat zij bij verhuur van te koop staande woonruimte op grond van de Leegstandwet geen huurprijsbescherming meer genieten.

    Voor gemeenten leidt de wijziging van de Leegstandwet tot een verlaging van de administratieve lasten. Daar staat tegenover dat gemeenten de informatievoorziening aan de burgers moeten aanpassen aan de gewijzigde Leegstandswet. Ook het formulier waarmee de vergunning op basis van de Leegstandwet wordt aangevraagd, moet worden gewijzigd. Gemeenten kunnen daarbij gebruik maken van het model dat gepubliceerd is in de Staatscourant van vrijdag 28 juni 2013, nummer 17546. Daarnaast kunnen zij gebruik maken van de door VNG aangepaste modelverordening leges.