blog

    Prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie inzake de belastingvrijstelling voor buitenlandse landgoederen

    Publicatiedatum: 3 februari 2015

    Met deze nieuwsbrief maken wij jou attent op de prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: “het Hof“) (ECLI:EU:C:2014:2460) van 18 december 2014. De prejudiciële beslissing van het Hof heeft betrekking op de belastingvrijstelling voor buiten Nederland gelegen landgoederen op grond van de Natuurschoonwet 1928 (hierna: “Nsw“). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: “de Afdeling“) had hierover prejudiciële vragen gesteld aan het Hof.

    Essentie

    Het Hof overweegt dat de vrijstelling van schenkbelasting een beperking vormt van het vrij verkeer van kapitaal. Deze beperking is echter verenigbaar met de unierechtelijke bepaling waarin het vrij verkeer van kapitaal is opgenomen, voor zover deze vrijstelling niet is uitgesloten voor landgoederen die, ondanks dat zij buiten Nederland zijn gelegen, verband kunnen houden met het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland.

    Nader bekeken

    Een Nederlandse burger heeft een aanvraag ingediend om een bij haar in eigendom zijnde onroerende zaak te laten rangschikken als landgoed in de zin van de Nsw. Deze onroerende zaak is echter gelegen in het Verenigd Koninkrijk. De eigenaar was voornemens om de onroerende zaak te schenken aan haar zoon, die in het Verenigd Koninkrijk woont. Omdat de eigenaar in Nederland woont, wordt over deze schenking Nederlandse schenkbelasting geheven.

    De staatssecretaris van Financiën en Economische zaken (hierna: “de staatssecretaris“) heeft geweigerd de onroerende zaak aan te wijzen als landgoed in de zin van artikel 1, eerste lid,

    aanhef en onder a, van de Nsw. De onroerende zaak voldoet immers niet aan de in die bepaling opgenomen voorwaarde dat de onroerende zaak in Nederland moet zijn gelegen. In de uitspraak van de Afdeling van 13 maart 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ4004) overwoog de Afdeling dat het besluit van de staatssecretaris een beperking vormt van het vrije verkeer van kapitaal in de Europese Unie, als bedoeld in artikel 63 lid 1 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: ‘het VWEU‘). De desbetreffende belastingvrijstelling is immers beperkt tot landgoederen die in Nederland liggen. Een beperking van het vrije kapitaalverkeer kan volgens de Afdeling alleen gerechtvaardigd worden door dwingende redenen van algemeen belang (zie ook onze nieuwsbrief van 26 maart 2013).

    De Afdeling heeft aan het Hof de vraag voorgelegd of de onderhavige beperking van het vrije kapitaalverkeer gerechtvaardigd is. De Advocaat-Generaal heeft op 2 oktober 2014 (ECLI:EU:C:2014:2255), geconcludeerd dat de beperking van het vrije kapitaalverkeer is gerechtvaardigd, omdat met de belastingvrijstelling het behoud van het nationaal natuurlijk en cultureel erfgoed wordt beoogd (zie ook onze nieuwsbrief van 29 oktober 2014).

    Het Hof overweegt dat de vrijstelling van schenkbelasting een beperking is van het vrije verkeer van kapitaal. Deze beperking kan echter verenigbaar zijn met de bepalingen van het VWEU. Daartoe dient het onderscheid dat met de belastingvrijstelling wordt gemaakt, betrekking te hebben op situaties die niet objectief vergelijkbaar zijn. Voorts dient de verenigbaarheid te worden beoordeeld op basis van de doelstelling en de inhoud van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale bepalingen, aldus het Hof.

    Volgens het Hof betreft het doel van de vrijstelling van de schenkbelasting, om:

    “de ongeschonden staat van landgoederen die typerend zijn voor het traditionele Nederlandse landschap te beschermen tegen de versnippering en teloorgang die het gevolg kunnen zijn van het feit dat de ontvangers van de schenking mogelijk gedwongen zijn om, teneinde de belasting over deze overdracht te kunnen voldoen, een landgoed te verkavelen en een deel ervan te verkopen, dan wel om het landgoed te exploiteren op een wijze die schadelijk zou zijn voor het specifieke karakter ervan.”.

    Gelet op deze doelstelling kan volgens het Hof de schenking van een op Nederlands grondgebied gelegen landgoed, niet objectief vergelijkbaar worden geacht met de schenking van een landgoed dat op het grondgebied van een andere lidstaat is gelegen. Zoals uit de hierboven geciteerde doelstelling naar voren komt, strekt de vrijstelling van de schenkbelasting er immers toe de ongeschonden staat te behouden van bepaalde landgoederen die behoren tot het nationaal cultuurhistorisch erfgoed. Het Hof overweegt dat de situaties objectief wél vergelijkbaar zouden zijn, indien blijkt dat het landgoed dat is gelegen op het grondgebied van een andere lidstaat, niettemin een element vormt van het Nederlands cultuurhistorisch erfgoed en voor het overige in aanmerking zou komen voor de bescherming van de Nsw.