blog

    Beëindiging van een pachtovereenkomst bij gebruiksruil

    Publicatiedatum: 3 maart 2015

    Met deze nieuwsbrief maken wij je attent op het arrest van de pachtkamer van het Hof Arnhem-Leeuwarden (hierna: “het Hof“) van 24 februari 2015 (ECLI:NL:GHARL:2015:1300). In dit arrest is een situatie aan de orde waarin partijen in het kader van een ‘gebruiksruil’ aan elkaar gronden hebben verpacht. De vraag is of de beëindiging van de ene pachtovereenkomst een dusdanig zwaarwegend belang is dat het de beëindiging van de andere pachtovereenkomst tot gevolg heeft.

    Essentie

    De omstandigheid dat de ene pachtovereenkomst eindigt, is een argument van gewicht voor de beëindiging van de andere pachtovereenkomst. Dit argument dient te worden meegewogen bij de belangenafweging als bedoeld in artikel 7:370 lid 1 onder c BW. Bij de belangenafweging dienen echter ook andere omstandigheden te worden betrokken. In dit geval dient onder meer de omstandigheid te worden betrokken dat het gepachte deel uitmaakt van het huisperceel van het melkveebedrijf van pachter. De belangen van de pachter wegen volgens het Hof zwaarder dan het aan de gebruiksruil ontleende argument voor beëindiging.

    Nader bekeken

    De pachtovereenkomsten van partijen komen voort uit een gebruiksruil die rond 1979 tot stand was gekomen tussen de rechtsvoorgangers van partijen. De maten van de maatschap Z hebben de pachtovereenkomst met A opgezegd omdat het gepachte niet bedrijfsmatig wordt gebruikt en omdat er sprake is van onderverpachting aan een derde. Vervolgens heeft ook partij A de pachtovereenkomst met maatschap Z opgezegd omdat een redelijke afweging van de belangen in het voordeel van A uit moet vallen. Volgens A geldt dat indien de ene pachtovereenkomst moet eindigen, dat ook geldt voor de andere pachtovereenkomst.

    Het Hof overweegt dat de werkzaamheden van A niet zijn te beschouwen als bedrijfsmatig uitgeoefende landbouw als bedoeld in artikel 7:312 BW. Volgens het Hof valt het exploiteren van drie of vier hectare gras- en/of maïsland, zonder het aanhouden van vee, en met gebruikmaking van de diensten van een loonwerker, hoe dan ook niet aan te merken als bedrijfsmatige uitoefening van de landbouw. De pachtovereenkomst wordt dan ook door het Hof beëindigd.

    Vervolgens beziet het Hof of ook de andere pachtovereenkomst dient te worden beëindigd. Het Hof overweegt dat de pachtovereenkomsten onderling met elkaar samenhangen vanwege de door partijen mee beoogde gebruiksruil. Onder verwijzing naar het arrest van het Hof Arnhem van 23 november 2010 (ECLI:NL:GHARN:2010:BP7695) overweegt het Hof:

    “Wijzigingen die intreden in de ene pachtverhouding kunnen op die grond gevolgen hebben voor de andere pachtovereenkomst, afhankelijk van de aard van de overeenkomsten, de gedragingen van partijen en de verwachtingen die zij over en weer van elkaar mochten hebben en de overige feiten en omstandigheden van het geval, een en ander onverminderd de toepasselijkheid van de (grotendeels dwingendrechtelijke) wettelijke regeling van de pacht.”.

    Het Hof geeft aan dat de omstandigheid dat de ene pachtovereenkomst eindigt, een argument van gewicht is voor de beëindiging van de andere pachtovereenkomst, welk argument volgens het Hof meeweegt bij de belangenafweging als bedoeld in artikel 7:370 lid 1 onder c BW. Bij die belangenafweging moeten echter ook de overige omstandigheden van het geval worden betrokken.

    Het door maatschap Z gepachte perceel maakt deel uit van het huisperceel van het melkveebedrijf van de maatschap van in totaal 58.66.00 ha. Daarnaast was het voor partijen en hun rechtsvoorgangers klaarblijkelijk bedoeld als een min of meer bestendige situatie. De maatschap Z mocht bij de inrichting van haar bedrijfsvoering redelijkerwijs uitgaan van de duurzame beschikbaarheid van de ruim vier hectare pachtgrond, aldus het Hof. Het Hof vervolgt:

    “Nog afgezien van deze redelijke verwachtingen aan de zijde van de maatschap [Z] geldt dat aan de exploitatie van het melkveebedrijf van de maatschap twee (en in de voorstelling van de maatschap [Z] straks zelfs drie) gezinnen een inkomen ontlenen en dat een verkleining van het huisperceel van het melkveebedrijf met ruim vier hectare de bedrijfsvoering wezenlijk zou schaden. Een en ander weegt voor het hof zwaarder dan het aan de gebruiksruil ontleende argument voor beëindiging.”.

    Het Hof wijst de vordering tot beëindiging van de pachtovereenkomst af.