blog

    Plattelandswoning en luchtkwaliteit

    Paul Bodden
    Paul BoddenPublicatiedatum: 4 februari 2015

    Vandaag heeft de Afdeling bestuursrechtspraak een belangrijke uitspraak gedaan met betrekking tot de zogeheten ‘plattelandswoning’ (AbRS 4 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:236).

    Essentie

    Een voormalige bedrijfswoning die (tevens) door een burger mag worden bewoond, kan niet (langer) worden aangemerkt als een arbeidsplaats als bedoeld in artikel 5.19, tweede lid van de Wet milieubeheer. Derhalve is geen sprake van een uitzondering en dient zo’n woning te worden getoetst aan de luchtkwaliteitseisen voor de bescherming van de gezondheid van de mens. Artikel 1.1a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht laat onverlet dat deze beoordeling dient plaats te vinden, aldus de Afdeling.

    Nader bekeken

    De casus is als volgt. Appellant exploiteert een varkenshouderij. Op het perceel bevindt zich een woning aan welke de aanduiding “specifieke vorm van wonen – voormalige agrarische bedrijfswoning” is toegekend. Appellant voert aan dat de toegekende aanduiding niet het door de raad beoogde effect kan hebben, te weten dat het laten bewonen van de bedrijfswoning door een derde geen effecten heeft voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de inrichting. Op grond van bijlage III bij de Richtlijn 2008/50/EG van de Raad van 20 mei 2008 betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa dient immers ook ter plaatse van de woning op het perceel de luchtkwaliteit te worden beoordeeld, aldus appellant.

    De Afdeling overweegt dat het gegeven dat een bedrijfswoning, zoals in dit geval, op grond van het bestemmingsplan door een derde bewoond mag worden en daarom voor de toepassing van de Wabo en de daarop rustende bepalingen wordt beschouwd als onderdeel van die inrichting, los staat van de vraag of ingevolge artikel 5.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer de luchtkwaliteit ter plaatse van het perceel waarop die woning staat al dan niet moet worden beoordeeld.

    De relevante rechtsoverweging luidt als volgt:

    “Aan het perceel [locatie 2] is in het plan de aanduiding “specifieke vorm van wonen – voormalige agrarische bedrijfswoning” toegekend. Op dit perceel staat een woning die in eigendom toebehoort aan [belanghebbende] en door haar wordt bewoond. Zij heeft geen bindingen met de inrichting van [appellante].

    Zoals hiervoor overwogen onder 3.2 is de Richtlijn geïmplementeerd in titel 5.2 van de Wet milieubeheer en bijlage 2 bij die wet. Uit artikel 5.16 van die wet volgt dat bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor activiteiten met betrekking tot een inrichting als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder e, van de Wabo die gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, in het kader van een beoordeling van die luchtkwaliteit gebruik dient te worden gemaakt van een of meer van de in het eerste lid genoemde gronden en daarbij aannemelijk dient te worden gemaakt hetgeen onder de desbetreffende gronden is vermeld. In artikel 5.19, eerste en tweede lid, van die wet is bepaald op welke plaatsen een beoordeling van de luchtkwaliteit dient plaats te vinden. In beginsel dient de luchtkwaliteit in alle agglomeraties en zones beoordeeld te worden. Ingevolge artikel 5.19, tweede lid, onder b, vindt geen beoordeling plaats op terreinen waarop een of meer inrichtingen zijn gelegen, waar bepalingen betreffende gezondheid en veiligheid op arbeidsplaatsen als bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, van toepassing zijn. De vraag is of het perceel [locatie 2], waarop de woning van [belanghebbende] staat, valt onder deze uitzondering op het uitgangspunt dat de luchtkwaliteit op iedere plaats beoordeeld dient te worden.

    Vooropgesteld dient te worden dat artikel 1.1a van de Wabo een bepaling betreft die ziet op de omvang van een inrichting voor de toepassing van die wet en de daarop rustende bepalingen. Dat een bedrijfswoning, zoals in dit geval, op grond van het bestemmingsplan door een derde bewoond mag worden en daarom voor de toepassing van de Wabo en de daarop rustende bepalingen wordt beschouwd als onderdeel van die inrichting, staat los van de vraag of ingevolge artikel 5.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer de luchtkwaliteit ter plaatse van het perceel waarop die woning staat al dan niet moet worden beoordeeld. Naar het oordeel van de Afdeling kan het perceel waarop een voormalige agrarische bedrijfswoning staat die door een derde mag worden bewoond, niet worden aangemerkt als een terrein waarop een of meer inrichtingen zijn gelegen, waar bepalingen betreffende gezondheid en veiligheid op arbeidsplaatsen als bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, van toepassing zijn. Een dergelijk perceel kan immers niet worden aangemerkt als een arbeidsplaats als bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer. Een dergelijke plaats is in artikel 2 van de Richtlijn 89/654/EEG van de Raad van 30 november 1989 gedefinieerd als elke plaats die bestemd is als locatie voor werkplekken in gebouwen van de onderneming en/of inrichting, met inbegrip van elke andere plaats op het terrein van de onderneming en/of inrichting waartoe de werknemer in het kader van zijn werk toegang heeft. Gelet op het vorenstaande heeft de raad zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat bij de eventuele verlening van een omgevingsvergunning voor de inrichting van [appellante] die gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, die luchtkwaliteit niet beoordeeld zal hoeven te worden ter plaatse van het perceel [locatie 2] en dat de toekenning van de bestreden aanduiding daarom geen gevolgen zal hebben voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de inrichting. Aan het vorenstaande doet niet af dat in de Memorie van Toelichting op de Wijziging van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en enkele andere wetten om de planologische status van gronden en opstallen bepalend te laten zijn voor de mate van milieubescherming alsmede om de positie van agrarische bedrijfswoningen aan te passen (plattelandswoningen) (Kamerstukken II, 2011-12, 33 078, nr. 3, p. 5) is vermeld dat als een voormalige bedrijfswoning in juridisch-planologisch opzicht nog deel uitmaakt van het bijbehorende bedrijf, deze voormalige bedrijfswoning niet wordt beschermd tegen de emissie van fijn stof vanuit dat “eigen” bedrijf. pagina 3

    Daarmee wordt het bepaalde in artikel 5.19, eerste en tweede lid, van de Wet milieubeheer immers miskend.

    Gelet op het vorenstaande heeft de raad niet deugdelijk gemotiveerd waarom, gelet op de belangen van [appellante], de toekenning van de aanduiding “specifieke vorm van wonen – voormalige agrarische bedrijfswoning” aan het perceel [locatie 2] strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

    Het betoog slaagt.