blog

    Mitigeren/compenseren

    Publicatiedatum: 5 januari 2015

    Met deze nieuwsbrief maken wij je attent op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: “de Afdeling”) van 10 december 2014 (zaaknummers 201110075/4/R4 en 201201853/3/R4). Aan de orde is het tracébesluit “A2 ‘s-Hertogenbosch-Eindhoven” en het besluit tot wijziging van dit tracébesluit (hierna: “het wijzigingsbesluit”).

    Essentie

    Eerder heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: “het Hof van Justitie”) in deze zaak antwoord gegeven op prejudiciële vragen. Uit deze beantwoording bleek kort gezegd dat de aanleg van nieuwe blauwgraslanden, wat noodzakelijk was om de negatieve gevolgen voor de bestaande blauwgraslanden te compenseren, kwalificeert als een compenserende maatregel. Inmiddels is de aanleg van nieuwe blauwgraslanden niet meer nodig, zo blijkt uit het wijzigingsbesluit. Wel worden er instandhoudings- en beheersmaatregelen getroffen. Deze maatregelen zijn niet in het wijzigingsbesluit opgenomen en houden geen verband met eventuele schadelijke gevolgen van de wegverbreding. Gelet hierop kwalificeren deze maatregelen volgens de Afdeling niet als compensatie. Volgens de Afdeling dienen de instandhoudings- en beheersmaatregelen tot de verwachte feitelijke ontwikkeling in het gebied te worden gerekend.

    Nader bekeken

    De Afdeling overweegt onder meer het volgende:

    “11.1 (…) De minister stelt voorts dat het HoWaBo-project geen mitigerende maatregel is, maar één van de ontwikkelingen is die ervoor zorgen dat de kwaliteit van de blauwgraslanden in het Natura 2000-gebied een positieve trend laat zien.

    (…)

    11.3. In de aanvullende passende beoordeling zijn – uitgaande van de voor het tracébesluit vastgestelde verkeersgegevens – de gevolgen van de wegverbreding wat betreft de stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied opnieuw beoordeeld. Hierbij is gebruik gemaakt van de meest actuele informatie over de staat van instandhouding van onder meer de blauwgraslanden in het Natura 2000-gebied, zoals neergelegd in de habitattypenkaart die is gemaakt in het kader van het beheerplanproces en het rapport “Vegetatie- en plantensoortenkartering Overlaat 2013” van 7 april 2014. Voor de berekening van de stikstofdepositie van het wegverkeer in relatie tot de achtergronddepositie is gebruik gemaakt van nieuwe versies van het rekenmodel en de GDN. De verkeersgegevens zijn dezelfde als in de eerdere passende beoordeling.

    Volgens de aanvullende passende beoordeling is de stikstofdepositie van zowel het totale wegverkeer op de A2 als het extra wegverkeer als gevolg van de verbreding van de A2 op het Natura 2000-gebied in het referentiejaar 2011 en in de planjaren structureel lager dan eerder werd verwacht. Dit is het gevolg van het nieuwe rekenmodel, dat een betere benadering van de werkelijkheid geeft dan het model dat voor de eerdere passende beoordeling is gebruikt. Verder is de trend ten opzichte van het referentiejaar beduidend anders: voor alle habitattypen is op de langere termijn sprake van een afname van de stikstofdepositie.

    In het deelgebied Moerputten is het projecteffect volgens de aanvullende passende beoordeling dermate gering dat dit geen ecologische effecten zal hebben. Ondanks de overschrijding van de kritische depositiewaarde zijn de blauwgraslanden in de Moerputten grotendeels van goede kwaliteit en heeft het habitattype zich uitgebreid. Staatsbosbeheer past speciaal maaibeheer toe dat is gericht op de blauwgraslanden. Hierbij wordt 3.500 mol N/ha/jaar afgevoerd. Het projecteffect, 0,2 tot 0,6 mol N/ha/jaar in 2013 en 0,8 mol N/ha/jaar in 2023, is in dit licht bezien te verwaarlozen en laat zich ook niet omrekenen naar een extra beheerinspanning. De hydrologie vormt in de Moerputten het voornaamste knelpunt en is voor een duurzaam behoud bepalend. Het HoWaBo-project voorziet in maatregelen om dit knelpunt weg te nemen.

    Voorts staat in de aanvullende passende beoordeling dat in het deelgebied Bossche Broek het projecteffect beperkt is, 2,1 tot 4,7 mol N/ha/jaar in 2013 en 3,9 tot 8,3 mol N/ha/jaar in 2023. De blauwgraslanden hebben zich bij de hoge achtergronddeposities de laatste jaren in stand gehouden en ontwikkeld. Ze zijn ondanks de hoge stikstofdepositie deels van goede kwaliteit, ook lokaal op korte afstand van de A2, en vertonen een stabiele trend. Dit komt met name vanwege het gevoerde beheer en de uitgevoerde hydrologische maatregelen. Bij voortzetting van het beheer, waarbij jaarlijks 3.500 mol N/ha stikstof uit het systeem wordt gehaald, wordt een verdere kwaliteitsverbetering verwacht. In het Bossche Broek worden in het kader van de realisatie van de EHS maatregelen genomen opdat de blauwgraslanden verder kunnen uitbreiden. De stikstofdepositie als gevolg van de wegverbreding is dermate beperkt dat die niet in de weg staat aan de uitbreiding van de blauwgraslanden in dit deelgebied.

    Volgens de aanvullende passende beoordeling is de uitvoering van het HoWaBo-project in 2014/2015 een impuls voor de ontwikkeling van blauwgraslanden over een areaal van meer dan 100 ha in het deelgebied Vlijmens Ven. Het projecteffect, enkele tienden van molen, is hier dermate beperkt dat dit geen belemmerende werking heeft voor de uitbreiding.

    De conclusie van de aanvullende passende beoordeling is dat de wegverbreding, zowel op zichzelf beschouwd als in combinatie met andere ontwikkelingen, geen ecologische effecten op de blauwgraslanden in het Natura 2000-gebied zal hebben.

    (…)

    11.6. Het Hof heeft in het arrest in deze zaak overwogen dat het voorzorgsbeginsel van de bevoegde nationale instantie verlangt dat zij bij de toepassing van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn de gevolgen van het project voor het betrokken Natura 2000-gebied beoordeelt in het perspectief van de instandhoudingsdoelstellingen van dit gebied, rekening houdend met de in dit project vastgestelde beschermingsmaatregelen waarmee wordt beoogd de eventuele schadelijke gevolgen die rechtstreeks uit dit project voortvloeien, te voorkomen of te verminderen, teneinde ervoor te zorgen dat het betrokken project de natuurlijke kenmerken van dat gebied niet aantast (punt 28). De beschermingsmaatregelen die in een project worden opgenomen om de schadelijke gevolgen van dit project voor een Natura 2000-gebied te compenseren, kunnen daarentegen bij de door artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn opgelegde beoordeling van de gevolgen van dit project niet in aanmerking worden genomen (punt 29).

    Anders dan Stichting Overlast A2 en anderen veronderstellen, zijn het HoWaBo-project en de andere door hen bedoelde in de aanvullende passende beoordeling vermelde maatregelen die in het Natura 2000-gebied worden getroffen geen beschermingsmaatregelen waarop het Hof in de aangehaalde punten van het arrest doelt. Deze maatregelen zijn immers niet in de bestreden besluiten opgenomen en houden geen verband met eventuele schadelijke gevolgen van de wegverbreding. Het gaat hier om instandhoudings- en beheermaatregelen die in de aanvullende passende beoordeling tot de verwachte feitelijke ontwikkeling in het gebied worden gerekend. De Afdeling heeft in de uitspraak van 30 oktober 2013 in zaak nrs. 201203812/1/R2 en 201203820/1/R2 overwogen dat dergelijke maatregelen als

    feitelijke ontwikkeling in de passende beoordeling kunnen worden betrokken indien met een voldoende mate van zekerheid vaststaat dat deze maatregelen daadwerkelijk zullen worden uitgevoerd. Nu Stichting Overlast A2 en anderen niet hebben gesteld dat de maatregelen niet aan dit vereiste voldoen, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregelen niet in de passende beoordeling mochten worden betrokken.

    11.7. Gelet op het voorgaande biedt hetgeen Stichting Overlast A2 en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij zich op grond van de passende beoordeling ervan heeft verzekerd dat als gevolg van het wijzigingsbesluit 2014 de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zullen worden aangetast.”.