blog

    Geluidverkaveling in bestemmingsplannen

    Rachid Benhadi
    Rachid BenhadiPublicatiedatum: 6 februari 2015

    In deze nieuwsbrief brengen wij twee recente uitspraken van de Afdeling onder de aandacht. Het betreft de uitspraken van 4 februari 2015 inzake het door het door de gemeenteraad van Papendrecht vastgestelde bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Oosteind’ (ECLI:NL:RVS:2015:237) en het door de gemeente Haarlemmermeer vastgestelde bestemmingsplan ‘De Liede’ (ECLI:NL:RVS:2015:234). De hiervoor genoemde uitspraken bieden gemeenten meer zekerheid én duidelijkheid over het verdelen van geluidruimte op bedrijventerreinen. In beide bestemmingsplannen kwam de vraag aan de orde of de door de gemeenteraad in de planregels vastgelegde geluidverkaveling aanvaardbaar is. De Afdeling maakt, voor zover mij bekend, voor het eerst in klip en klare bewoordingen duidelijk dat het opnemen van een geluidverkaveling in een bestemmingsplan met het oog op een doelmatige verdeling van de beschikbare geluidruimte (teneinde een doelmatig grondgebruik te waarborgen) aanvaardbaar is. In het verleden zijn verschillende bestemmingsplannen waarin een (vorm van) geluidverkaveling is opgenomen de Afdeling gepasseerd (zie onder andere AbRS 9 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1213; AbRS 10 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX9714; AbRS 26 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4218), maar is in die uitspraken niet (expliciet) ingegaan op de vraag hoe een geluidverkaveling in een bestemmingsplan zich verhoudt tot artikel 3.1 lid 1 van de Wro en de (relevante) milieuwet- en regelgeving.

    Essentie

    Het vastleggen van geluidverkaveling in een bestemmingsplan is ruimtelijk relevant indien daarmee wordt beoogd een doelmatige verdeling van de beschikbare geluidruimte over de diverse percelen van het industrieterrein, en daarmee een doelmatig grondgebruik, te waarborgen. Dit doel kan niet worden bereikt door het stellen van geluidgrenswaarden aan individuele inrichtingen bij de verlening van vergunningen. Gelet op het feit dat de verdeling van de beschikbare geluidruimte op een industrieterrein niet in het kader van de vergunningverlening is gewaarborgd, kan de gemeenteraad in redelijkheid besluiten om een verdeling van de beschikbare geluidruimte in het bestemmingsplan te waarborgen. Artikel 3.1 lid 1 van de Wro, noch de milieuwet- en regelgeving, staat hieraan in de weg. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 3.1 lid 1 van de Wro (Kamerstukken II 2002/03, 28 916, nr. 3, p. 21-22) volgt dat de redactie van artikel 3.1 van de Wro het mogelijk maakt een relatie te leggen tussen de ruimtelijke ordening en het beleidsterrein van milieu.

    Nader bekeken

    In de uitspraak over het ‘Bedrijventerrein Oosteind’ stelt appellant dat de vaststelling van een geluidbeheerplan in strijd is met het systeem van de Wet geluidhinder, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer. Appellant wijst erop dat planregeling ten onrechte milieunormen bevat, hetgeen het exclusieve terrein van de milieuwet- en regelgeving is. De gemeenteraad verweert zich en stelt zich – kort samengevat – op het standpunt dat met het bestemmingsplan (en de daarin opgenomen planregeling) wordt beoogd de beschikbare geluidruimte evenwichtig te verdelen over de aanwezige en mogelijk nieuw te vestigen bedrijven om een doelmatig gebruik van het industrieterrein te waarborgen. De Afdeling overweegt het volgende:

    “De Afdeling is van oordeel dat de bestreden planregeling, gelet op het doel hiervan, een ruimtelijk relevant karakter heeft. Met het geluidverdeelplan wordt immers beoogd een doelmatige verdeling van de beschikbare geluidruimte over de diverse percelen van het industrieterrein, en daarmee een doelmatig grondgebruik, te waarborgen. Dit doel kan niet worden bereikt door het stellen van geluidgrenswaarden aan individuele inrichtingen bij de verlening van vergunningen. In dit verband is van belang dat de Afdeling in haar uitspraak van 2 november 2011 in zaak nr. 201008546/1/M1 heeft overwogen dat in de Wet milieubeheer niet is bepaald, noch daaruit kan worden afgeleid, dat een omgevingsvergunningaanvraag mede moet worden getoetst aan een krachtens artikel 164 van de Wet geluidhinder vastgesteld zonebeheerplan. Nu gelet hierop de verdeling van de beschikbare geluidruimte op een industrieterrein niet in het kader van de vergunningverlening is gewaarborgd, heeft de raad in redelijkheid kunnen besluiten om een verdeling van de beschikbare geluidruimte in het bestemmingsplan te waarborgen. Anders dan Betoncentrale Papendrecht betoogt staat artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), noch de milieuwet- en regelgeving, gelet op het voorgaande, er aan in de weg dat het geluidverdeelplan in het bestemmingsplan wordt opgenomen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 3.1, eerste lid, van de Wro (Kamerstukken II 2002/03, 28 916, nr. 3, p. 21-22) volgt dat de redactie van artikel 3.1 van de Wro het mogelijk maakt een relatie te leggen tussen de ruimtelijke ordening en het beleidsterrein van milieu.

    3.6. De Afdeling acht het evenwel in strijd met de rechtszekerheid dat de door de raad vastgestelde normen voor de verdeling van de geluidruimte niet zijn af te leiden uit het bestemmingsplan, zoals dat elektronisch beschikbaar wordt gesteld via www.ruimtelijkeplannen.nl, welk bestemmingsplan bestaat uit de planverbeelding, planregels en in dit geval het geluidverdeelplan. Gelet hierop is onvoldoende inzichtelijk welke geluidruimte in het bestemmingsplan aan de gronden binnen het gezoneerde industrieterrein is toegekend en is niet controleerbaar of dit is gebaseerd op de huidige vergunde geluidruimte van de aldaar gevestigde bedrijven. De Afdeling is van oordeel dat de kaarten die zijn opgenomen in de bijlagen 3a, 3b en 4 bij het akoestisch onderzoek, dat aan het zonebewakingsmodel ten grondslag ligt, deze duidelijkheid evenmin bieden. Deze kaarten laten niet een verdeling van de geluidruimte per bedrijfslocatie zien, maar tonen de cumulatieve geluidbelasting. De thans door de raad gekozen plansystematiek, waarin voor het kennisnemen van de in het plan opgenomen verdeling van de geluidruimte een bij de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid beschikbaar gesteld digitaal rekenmodel kan worden ingezien of kan worden opgevraagd, moet met het oog op de rechtszekerheid ontoereikend worden geacht.”.

    Afsluitend

    Uit de hiervoor opgenomen uitspraken van 4 februari 2015 kunnen enkele, voor de praktijk belangrijke, aandachtspunten worden afgeleid. Namelijk:

    • Het opnemen van een geluidverkaveling in een bestemmingsplan met het oog op een doelmatige verdeling van de beschikbare geluidruimte binnen een geluidzone (teneinde een doelmatig grondgebruik te waarborgen) is ruimtelijk relevant en derhalve aanvaardbaar;
    • De geluidverkaveling mag de bijzondere milieuwet- en regelgeving niet doorkruisen;
    • De in de planregels vastgelegde geluidverkaveling moet de op het perceel vergunde rechten (op grond van vergunningen en/of milieumeldingen) respecteren;
    • Het totaal aan toegekende geluidsruimte mag de zoneringsgrenswaarde (lees: de op grond van artikel 40 van de Wet geluidhinder vastgestelde 50 dB(A)-contour) niet overschrijden;
    • Het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid waarmee, onder voorwaarden, meer geluidsruimte aan een perceel kan worden toegekend is onder omstandigheden raadzaam;
    • De geluidverkaveling en –normen moeten af te leiden zijn uit het bestemmingsplan, zoals dat elektronisch beschikbaar wordt gesteld via www.ruimtelijkeplannen.nl. In het bijzonder moet dit blijken uit de planregels en juridisch bindende bijlagen bij de planregels (een juridisch bindende koppeling tussen de planregels en de bijlagen bij de planregels is dan noodzakelijk);
    • Een verwijzing naar een digitaal rekenmodel is in strijd met de rechtszekerheid. Uit oogpunt van rechtszekerheid moet in de planregels juridisch bindend worden vastgelegd welk rekenmodel en, voor zover van toepassing, welke versie daarvan, wordt gebruikt om te berekenen of aan de geluidnormering in de planregels wordt voldaan. In dat kader is voorts niet aanvaardbaar dat pas bij een aanvraag om uitbreiding van een bedrijf door de zonebeheerder wordt bepaald op welke zone- en MTG-punten de bijdrage aan de immissiewaarden dient te worden getoetst;
    • Geluidverkavelingskaarten (die als bijlage bij de planregels zijn opgenomen) moeten een verdeling van de geluidruimte per bedrijfslocatie zien. Er kan niet worden volstaan met het vastleggen van (uitsluitend) de cumulatieve geluidbelasting;
    • Vanuit een oogpunt van rechtszekerheid kan het op zichzelf wel aanvaardbaar zijn dat bedrijven vanwege de behoefte aan specifieke akoestische expertise een deskundige moeten inschakelen om vast te kunnen stellen in hoeverre de eerder aan hen vergunde geluidruimte wordt gerespecteerd in het bestemmingsplan.