blog

    Wijziging van de Wob ter voorkoming van misbruik

    Franc Pommer
    Franc PommerPublicatiedatum: 7 januari 2015

    Op 12 december 2014 is het wetsvoorstel “Wijziging van de Wet openbaarheid van bestuur in verband met aanvullingen ter voorkoming van misbruik” (Kamerstukken II, 2014-2015, 34 106, nr. 2) bij de Tweede Kamer ingediend. Dit voorstel is erop gericht misbruik van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: “Wob“) tegen te gaan. Sinds de invoering van de “Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen” (hierna: “Wet dwangsom“) op 1 oktober 2009 is gebleken dat op grond van de Wob verzoeken worden ingediend die niet gericht zijn op het verkrijgen van informatie, maar op het innen van dwangsommen die het bestuursorgaan verbeurt als het niet tijdig op het verzoek beslist. Het wetsvoorstel bevat voorzieningen die aan dit misbruik paal en perk stellen.

    Essentie

    Aan de Wob worden twee bepalingen toegevoegd. Artikel 15 verklaart de Wet dwangsom niet langer van toepassing op de Wob. Dit heeft tot gevolg dat verzoeken om informatie niet meer gericht kunnen zijn op het innen van dwangsommen. Daarnaast wordt artikel 15a toegevoegd. Hierin staan maatregelen om te voorkomen dat verzoeken worden ingediend die enkel gericht zijn op het innen van door de rechter vastgestelde dwangsommen of een door hem uitgesproken proceskostenveroordeling bij een rechtstreeks beroep wegens niet tijdig beslissen. Tevens voorziet de bepaling in de mogelijkheid dat de verzoeker niet in aanmerking komt voor vergoeding van het griffierecht.

    Nader bekeken

    De Wet dwangsom (paragraaf 4.1.3.2 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna “Awb“) voorziet in een regeling voor het opleggen van een dwangsom indien een bestuursorgaan niet tijdig beslist op een besluitaanvraag. Deze regeling is tot nu toe ook van toepassing op de Wob. Bij het uitblijven van een tijdige beslissing verbeurt het bestuursorgaan op grond van artikel 4:17 lid 1 van de Awb aan een burger – na voorafgaande ingebrekestelling – in beginsel een

    dwangsom. Deze kan oplopen tot een totaalbedrag van € 1.260,- (artikel 4:17 lid 2 van de Awb). Deze voorziening is ervoor bedoeld om tijdige besluitvorming te bevorderen, zodat de burger niet onnodig lang over de beslissing in het ongewisse blijft.

    Uit onderzoek naar ervaringen met de Wet dwangsom is naar voren gekomen dat bestuursorganen zeer regelmatig geconfronteerd worden met Wob-verzoeken die vermoedelijk enkel zijn gericht op het innen van een dwangsom. Vermoedelijk, omdat verzoekers op grond van de Wob geen belang hoeven te stellen bij hun verzoek tot het verkrijgen van informatie. Het onderzoek wees tevens uit dat bestuursorganen tegen dit misbruik weinig kunnen doen. Hooguit lukte dat een enkele keer, zoals in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 november 2014, zaaknummer 201311752/1/A3, waarover onze Wob-nieuwsbrief van 19 september 2014. De kosten die gemoeid zijn met de enkele afhandeling van deze “oneigenlijke” Wob-verzoeken bedragen naar schatting 8 tot 14 miljoen Euro op jaarbasis, waar – indien dat niet tijdig lukt – de kosten van de te betalen dwangsommen nog bijkomen. Dit gaf aanleiding de dwangsomregeling voor de Wob te herbezien, hetgeen heeft geresulteerd in het onderhavige wetsvoorstel. Om de prikkel van het persoonlijke gewin weg te nemen voorziet het wetsvoorstel in de volgende twee nieuwe bepalingen.

    Artikel 15

    Voorgesteld artikel 15 van de Wob bepaalt dat de Wet dwangsom niet (langer) van toepassing is op de Wob, zodat verzoeken om informatie ingevolge artikel 3 van de Wob niet meer gericht kunnen zijn op het innen van dwangsommen. Datzelfde geldt voor verzoeken om hergebruik van informatie op grond van artikel 11b van de Wob. Ook beslissingen op bezwaar tegen een besluit op een Wob-verzoek worden uitgezonderd van de dwangsomregeling.

    Artikel 15a

    Daarnaast bepaalt het voorgestelde artikel 15a lid 1 van de Wob dat de rechter, in afwijking van de in artikel 8:55d van de Awb genoemde twee-weken-termijn, een op het Wob-verzoek afgestemde termijn kan vaststellen waarbinnen het bestuursorgaan beslist. Met deze bepaling blijft het dus nog wel expliciet mogelijk voor burgers om via de rechter tijdige besluitvorming af te dwingen. Het geeft echter bestuursorganen de ruimte om bij de rechter te onderbouwen dat een langere beslistermijn dan de thans voorgeschreven twee-weken-termijn nodig is om omvangrijke Wob-verzoeken af te handelen.

    Op grond van artikel 8:55d lid 2 van de Awb blijft aan de uitspraak een dwangsom verbonden als het bestuursorgaan niet beslist binnen de door de rechter vastgestelde termijn.

    Artikel 15a lid 2 van de Wob bevat een vergelijkbare regeling voor verzoeken die door het bestuursorgaan kennelijk niet als Wob-verzoek worden herkend vanwege de wijze van indiening of formulering. De rechter kan dan een langere beslistermijn vaststellen dan de twee weken, genoemd in artikel 8:55b lid 1 van de Awb.

    Het voorgestelde artikel 15a lid 3 van de Wob regelt dat de rechter kan bepalen dat de verzoeker niet in aanmerking komt voor de vergoeding van griffierecht en proceskosten, bij gegrondverklaring van zijn beroep. Daartoe zal de rechter beslissen als de verzoeker onvoldoende heeft meegewerkt aan het bereiken van overeenstemming over het opschorten

    van de beslistermijn krachtens artikel 4:15 lid 2, sub a van de Awb. Een onredelijke opstelling van verzoeker wordt zo gesanctioneerd, ter voorkoming van een onnodig beroep op de rechter.

    Tot slot voorziet het voorgestelde artikel 15a lid 4 van de Wob in een met lid 3 vergelijkbare regeling ingeval van Wob-verzoeken die door de wijze van indiening redelijkerwijs niet direct als zodanig door het bestuursorgaan zijn herkend. Ook in dat geval kan de rechter bepalen dat de verzoeker niet in aanmerking komt voor vergoeding van het griffierecht en de proceskosten.

    Zodra het wetsvoorstel door de Tweede Kamer wordt aangenomen hebben voornoemde bepalingen onmiddellijke werking. Voor Wob-verzoeken die zijn ingediend en waarvan de reactietermijn is overschreden zonder dat het bestuursorgaan in gebreke is gesteld op de datum van inwerkingtreding, kunnen dus direct na inwerkingtreding van het voorstel geen dwangsommen meer worden verbeurd. Artikel 15a van de Wob is meteen vanaf het moment van inwerkingtreding van toepassing op beslissingen die de rechter vanaf dat moment neemt.