blog

    Ladder voor duurzame verstedelijking – nieuwe stedelijke ontwikkeling

    Tycho Lam
    Tycho LamPublicatiedatum: 7 maart 2016

    De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: “de Afdeling”) heeft op 24 februari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:489) een uitspraak gedaan waarin de vraag aan de orde komt of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: “Bro”).

    Essentie

    De ladder voor duurzame verstedelijking (hierna: “de Ladder”) is van toepassing op een nieuwe stedelijke ontwikkeling (zie artikel 3.1.6 lid 2 van het Bro). Het bestreden bestemmingsplan maakt bij recht de bouw van maximaal 145 woningen mogelijk. In het voorheen geldende bestemmingsplan was het bouwen van 145 woningen reeds toegestaan door middel van een uitwerkingsplicht. De Afdeling overweegt dat de bestreden plandelen geen nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken, omdat er hier sprake is van een (conserverend) bestemmingsplan, dat enkel voorziet in continuering van bestaande planologische mogelijkheden zonder aanvullende bebouwing of wijziging van functies. Het vorige plan voorzag reeds in een uitwerkingsplicht voor de bouw van woningen en biedt daarmee een planologisch onbenutte mogelijkheid. Onder verwijzing naar haar eerdere uitspraak van 1 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2062) overweegt de Afdeling dat onbenutte planologische mogelijkheden in een nieuw plan mogen worden opgenomen zonder dat hoeft te worden voldaan aan de verantwoordingseisen van de Ladder.

    Nader bekeken

    Het bestemmingsplan “Dijckerwaal fase 1” maakt de bouw van maximaal 145 woningen mogelijk tussen de kernen ‘s-Gravenzande en Naaldwijk. Appellanten stellen dat dat het plan in strijd met de Ladder is vastgesteld. In het voorheen geldende plan was het bouwen van 145 woningen weliswaar ook toegestaan door middel van een uitwerkingsplicht, maar was het volgens hen de bedoeling deze verspreid over een groter gebied te realiseren dan in dit plan het geval is. De Afdeling gaat hier niet in mee en overweegt het volgende:

    Het vorige plan voorzag derhalve reeds in een uitwerkingsplicht voor de bouw van woningen en biedt daarmee een planologisch onbenutte mogelijkheid. De Afdeling heeft in de uitspraak van 1 juli 2015, zaak nr. 201401417/1/R1, bepaald dat onbenutte planologische mogelijkheden in een nieuw plan mogen worden opgenomen, zonder dat hoeft te worden voldaan aan de in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro genoemde voorwaarden.

    Voorliggend plan voorziet niet in een wijziging van functies en voorziet evenmin in meer woningen dan op grond van het voorheen geldende plan op de desbetreffende gronden mogelijk was. Gelet hierop neemt de bebouwingsdichtheid niet toe. Er zijn dan ook geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de bestreden plandelen geen nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken in de zin van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, zodat reeds daarom die bepaling in dit geval niet van toepassing is.