blog

    Nieuwe stedelijke ontwikkeling – onbenutte planologische mogelijkheden

    Luuk Gerritsen
    Luuk GerritsenPublicatiedatum: 7 juli 2015

    Op 1 juli 2015 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: “de Afdeling“) opnieuw een uitspraak gedaan over de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: “het Bro“) (ECLI:NL:RVS:2015:2062). In deze uitspraak geeft de Afdeling nogmaals een nadere invulling aan het begrip ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’.

    Essentie

    Het conserverend bestemmen van ongebruikte planologische ruimte kan niet worden opgevat als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Onbenutte planologische mogelijkheden mogen derhalve in een nieuw plan worden opgenomen, zonder dat hoeft te worden voldaan aan de voorwaarden in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. Dit leek impliciet al uit eerdere uitspraken van de Afdeling te volgen (bijvoorbeeld AbRS 25 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:537 en AbRS 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1367), maar is nu expliciet door de Afdeling bevestigd. Vanzelfsprekend moet bij de vaststelling van het plan de bestemming wel in overeenstemming zijn met een goede ruimtelijke ordening. In dit verband moeten aspecten als behoefte en onaanvaardbare leegstand worden meegenomen.

    Nader bekeken

    In deze zaak richt Global Investors zich tegen het plandeel met de bestemming “Gemengd – uit te werken” dat ten aanzien van grootschalige (perifere) detailhandel conserverend van aard is. Global Investors is van mening dat de regionale behoefte aan verdere uitbreiding van grootschalige (perifere) detailhandel ten onrechte niet is onderzocht. Zij betoogt dat deze uitbreiding ruimtelijk niet aanvaardbaar is, omdat zij zal leiden tot leegstand op andere locaties. Bovendien is er volgens Global Investors geen rekening met bestaande leegstand in en rondom het plangebied gehouden.

    De Afdeling overweegt als volgt:

    5.5. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het plan geen nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro mogelijk maakt. Anders dan Global Investors aanvoert, komt aan de omstandigheid dat geen gebruik is gemaakt van de planologische mogelijkheden die het vorige plan ter plaatse bood, in dit verband geen betekenis toe. Onbenutte planologische mogelijkheden mogen in een nieuw plan worden opgenomen, zonder dat hoeft te worden voldaan aan de in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro genoemde voorwaarden. Het betoog faalt.

    5.6. Het vorenstaande laat onverlet dat de raad in het kader van een goede ruimtelijke ordening bij de vaststelling van het plan dient te beoordelen of de bestemming volgens het plan “Centrumgebied Amsterdam Zuidoost” nog steeds een passende bestemming is. De raad heeft naar voren gebracht dat de bestemming van kavel 9 geen onaanvaardbare leegstand tot gevolg zal hebben. In dit verband is gewezen op de relatief gunstige situatie ter plaatse, waarbij op een gemeentelijke nota en onderliggende studies is gewezen. Als aanvulling op het verweerschrift heeft de raad een distributieve toets/effectanalyse PDV/GDV kavel 9 van 20 januari 2005 overgelegd, opgesteld door Bureau Stedelijke Planning (hierna: BSP), waaruit volgt dat er behoefte is aan de mogelijk gemaakte ontwikkeling. Global Investors heeft niet aannemelijk gemaakt dat als gevolg van het ter plaatse van kavel 9 realiseren van de bestemming zodanige leegstandseffecten zullen optreden dat dit tot een – uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening – onaanvaardbare situatie zal kunnen leiden. De omstandigheid dat enige leegstand zal kunnen optreden is op zichzelf onvoldoende voor een ander oordeel. Het betoog faalt.“.