blog

    Oneerlijk (rente)beding in algemene bouw- en huurvoorwaarden

    Richard van Breevoort
    Richard van BreevoortPublicatiedatum: 8 oktober 2013

    Een veel voorkomend beding in algemene bouw- en huurvoorwaarden is een beding dat inhoudt dat de opdrachtgever respectievelijk de huurder bij te late betaling een rente verschuldigd is die hoger is dan de wettelijke rente. Zo’n beding wordt ook wel een rentebeding genoemd. Over de toepasselijkheid van dergelijke rentebedingen heeft de Hoge Raad recent een belangrijk arrest gewezen (HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691).

    Essentie

    Uit het arrest van de Hoge Raad volgt dat:

    1. de rechter ambtshalve moet onderzoeken of een (rente)beding oneerlijk is in de zin van de Richtlijn 93/13/EEG (Richtlijn van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten);
    2. als de rechter vaststelt dat een beding oneerlijk is in de zin van Richtlijn 93/13/EEG, de rechter gehouden is het beding ambtshalve te vernietigen, tenzij de consument aangeeft dat hij geen vernietiging wenst.

    Met andere woorden: oneerlijke (rente)bedingen in algemene bouw- of huurvoorwaarden kunnen door de rechter vernietigd worden, zelfs als daarom door de opdrachtgever respectievelijk de huurder niet is verzocht.

    In deze nieuwsbrief wordt aandacht besteed aan de inhoud en de reikwijdte van het arrest.

    De uitspraak nader bekeken

    Het ging om de verbouwing van een particuliere woning in opdracht van een consument die een deel van de aanneemsom niet betaalde aan de aannemer. In de algemene voorwaarden was een rentebeding opgenomen dat inhield dat de opdrachtgever bij te late betaling 2% rente per maand aan de aannemer moest vergoeden. De aannemer vorderde betaling van de volgens hem nog openstaande facturen vermeerderd met de contractuele rente van 2%.

    Het hof ‘s-Hertogenbosch wees de vordering van de aannemer grotendeels toe met inbegrip van de contractuele rente van 2% per maand. Tegen die rentevordering was door de opdrachtgever geen verweer gevoerd.


    In cassatie bij de Hoge Raad ging het alleen nog om de vraag of het hof ambtshalve (dus uit zichzelf en zonder dat daarop een beroep was gedaan) had moeten onderzoeken of de opdrachtgever aan dat rentebeding gebonden was. De Hoge Raad beantwoordt die vraag bevestigend.

    Aanleiding daartoe is EEG-richtlijn 93/13 van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn). Die richtlijn bepaalt dat een consument niet gebonden is aan een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld en dat in strijd met de goede trouw het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.

    Oneerlijk beding in de zin van de richtlijn?

    De Hoge Raad stelt vast dat de door de opdrachtgever aangevoerde omstandigheden in deze zaak van dien aard zijn dat moet worden vermoed dat (1) de onderhavige aannemingsovereenkomst onder het bereik van de richtlijn valt en (2) het betreffende beding oneerlijk is in de zin van de richtlijn. Meer concreet gaat het onder andere om de volgende door de opdrachtgever aangevoerde omstandigheden:

    • het gaat om een consument en een verkoper in de zin van artikel 1 lid 1 en artikel 2 van de richtlijn;
    • het gaat om een rentebeding in algemene voorwaarden waarover niet afzonderlijk was onderhandeld als bedoeld in artikel 3 lid 1 van de richtlijn;
    • het beding is geen kernbeding in de zin van artikel 4 lid 2 van de richtlijn;
    • het beding is oneerlijk in de in de zin van artikel 3 lid 1 van de richtlijn, mede gelet op de hoogte van de contractuele rente van 2% per maand (24% per jaar), die aanzienlijk hoger ligt dan de wettelijke rente van artikel 6:119 BW en de wettelijke handelsrente van artikel 6:119a BW (de huidige wettelijke rente is bepaald op 3% per jaar en de handelsrente op 8,5% per jaar. Daarmee blijft de wettelijke rente ver achter bij de contractuele rente van 24% per jaar).

    Ambtshalve onderzoek

    In deze zaak had de opdrachtgever echter geen verweer gevoerd tegen de gevorderde rente. Op basis van de rechtspraak van het Europese hof oordeelt de Hoge Raad dat de Nederlandse rechter verplicht is ambtshalve te onderzoeken of een contractueel beding onder de richtlijn valt en of het oneerlijk in de zin van die richtlijn is, mits de rechter over de daarvoor noodzakelijke gegevens beschikt. Die verplichting bestaat dus ook als geen bezwaar is gemaakt tegen de toewijzing van de contractuele rente. Reden daarvoor is dat volgens het Nederlands procesrecht in hoger beroep de rechter het recht van openbare orde in beginsel moet toepassen. Ondanks dat de richtlijn niet rechtstreeks van toepassing is in Nederland, moet de Nederlandse rechter onderzoeken of een beding oneerlijk is vanwege artikel 6:233 BW dat bepaalt wanneer een in algemene voorwaarden voorkomend beding als onredelijk bezwarend vernietigd kan worden.

    Reikwijdte ambtshalve onderzoek

    Het ambtshalve onderzoek geldt volgens de Hoge Raad voor de rechter in eerste aanleg, hoger beroep en ook in zaken waarin de gedaagde partij niet verschenen is. Ook als de rechter over gegevens beschikt die slechts doen vermoeden dat de overeenkomst valt onder het bereik van de richtlijn en een beding bevat dat oneerlijk is in de zin van de richtlijn, dient hij dat ambtshalve onderzoek te doen. De Hoge Raad gaat zelfs zo ver dat als alle voor het onderzoek naar de oneerlijkheid van het beding van belang zijnde feiten niet vaststaan, de rechter partijen moet instrueren die relevante gegevens te verstrekken.

    De richtlijn geldt voor overeenkomsten met consumenten. Of deze uitspraak gevolgen kan hebben voor contracten tussen partijen die beiden handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf is alleen op basis van deze uitspraak niet te voorspellen. Omdat de richtlijn in artikel 2 onder b de consument definieert als “iedere natuurlijke persoon (….) die handelt voor doeleinden die buiten zijn bedrijf- of beroepsactiviteiten vallen”, lijkt dat echter niet voor de hand te liggen.

    Algemene voorwaarden in de bouw

    In algemene voorwaarden die gebruikelijk in de bouw worden gehanteerd, wordt vaak een percentage boven de wettelijke rente bedongen. In bijvoorbeeld UAV 1989/2012, UAV-GC2005, AVA 1992/2013, DNR 2011, enz. staan bedingen op grond waarvan na niet-tijdige betaling een percentage van 2-3% boven de wettelijke rente verschuldigd is. Die verhoogde wettelijke rente wordt per jaar berekend, zodat een dergelijk beding ook tegenover consumenten niet als oneerlijk of onredelijk bezwarend zal worden geoordeeld.

    Algemene huurvoorwaarden

    De algemene bepalingen die horen bij de modelhuurovereenkomsten van de Raad voor de Onroerende Zaken (ROZ) bevatten een boetebeding bij wanbetaling. Op 30 mei 2013 heeft het Europese Hof naar aanleiding van prejudiciële vragen van het Amsterdamse Hof over een dergelijk boetebeding in de algemene bepalingen die horen bij de modelhuurovereenkomsten van de ROZ met betrekking tot woonruimte (versie 2003) geoordeeld dat de richtlijn ook van toepassing is op huurovereenkomsten met betrekking tot woonruimte tussen een bedrijfsmatige verhuurder en een particuliere huurder. Dat betekent (in ieder geval) dat het oordeel van de Hoge Raad dat oneerlijke bedingen in algemene voorwaarden door de rechter vernietigd kunnen worden als daar door de particulier niet om is verzocht, ook geldt als die oneerlijke bedingen zijn vastgelegd in de algemene bepalingen die horen bij de modelhuurovereenkomsten van de ROZ met betrekking tot woonruimte (versie 2003). Dat volgt voorts uit de uitspraak van het Europese Hof. Uit die uitspraak volgt verder dat de rechter, als hij van oordeel is dat een boetebeding oneerlijk is, niet kan volstaan met matiging. Dat is goed nieuws voor de particuliere huurder, maar niet voor de bedrijfsmatige verhuurder. De bedrijfsmatige verhuurder zal voortaan vóór de ondertekening van de huurovereenkomst na moeten denken over de (maximale) hoogte van een boetebeding en het beoogde toepassingsbereik ervan.

    Conclusie

    Ondernemers die zich van algemene voorwaarden bedienen in overeenkomsten met consumenten met een daarin voorkomend rentebeding of boetebeding dienen na te kijken of dat mogelijk als oneerlijk in de zin van de richtlijn kan worden geoordeeld. Op basis van de uitspraak van de Hoge Raad weten we dat een rente van 24% per jaar in ieder geval een oneerlijk beding kan opleveren. Welk rentepercentage nog wel ‘eerlijk’ is, valt moeilijk te voorspellen. Wij denken dat bij de huidige wettelijke rente van 3,5% een rentepercentage vanaf 10% in ieder geval risicovol is. Dat risico is aanzienlijk, omdat het rentebeding dan geheel wordt vernietigd, zodat je als ondernemer helemaal geen aanspraak op rente hebt. Dat is alleen anders indien jouw advocaat zo verstandig is geweest om naast de contractuele rente subsidiair wettelijke rente te vorderen of als je bij het opstellen van een boetebeding rekening houdt met de rechtspraak van de Hoge Raad en het Europese Hof.