blog

    Normaal maatschappelijk risico bij planschade

    Publicatiedatum: 10 maart 2016

    Met deze nieuwsbrief maken wij je attent op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: “de Afdeling”) van 2 maart 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:530). In deze uitspraak gaat de Afdeling in op de wijze waarop het normaal maatschappelijk risico bij planschade (artikel 6.2, eerste lid, van de Wro) dient te worden bepaald.

    Essentie

    Voor de omstandigheid dat een ontwikkeling naar haar aard en omvang binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving van het plangebied past, is niet de feitelijke situatie leidend, maar het ter plaatse toepasselijke planologische regime.

    Voorts worden in deze uitspraak enkele aspecten van het leerstuk van het normaal maatschappelijk risico herhaald. Onder andere wordt nogmaals bevestigd dat een normaal maatschappelijk risico van 5% weliswaar substantieel is, maar niet zodanig hoog dat deze schade niet voor rekening van een aanvrager om tegemoetkoming in planschade kan worden gelaten.

    Nader bekeken

    In deze zaak hadden appellanten om een tegemoetkoming in planschade verzocht ten gevolge van een bestemmingsplan van de gemeente Zundert. Het bestemmingsplan in kwestie maakt drie vrijstaande woningen in de buurt van appellanten mogelijk. Dat sprake was van planschade, stond niet ter discussie. Er was als gevolg van de nieuwe woningen namelijk sprake van verstening van de omgeving, een beperking van het uitzicht, een aantasting van de privacy, intensivering van het gebruik en mogelijk extra schaduwhinder.

    Volgens het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zundert (hierna: “het college”) viel de schade echter volledig binnen het normaal maatschappelijk risico (artikel 6.2, eerste lid, van de Wro), zodat de schade voor rekening van appellanten diende te worden gelaten. Appellanten waren het hier niet mee eens en zij stelden beroep in bij de rechtbank

    Zeeland-West-Brabant. De rechtbank stelde hen in het ongelijk en oordeelde dat het college de schade terecht voor rekening van appellanten had gelaten. Appellanten hebben tegen deze uitspraak vervolgens hoger beroep ingesteld bij de Afdeling.

    De Afdeling brengt in haar uitspraak van 2 maart 2016, onder andere aan de hand van eerdere uitspraken, verschillende aspecten van het leerstuk van het normaal maatschappelijk risico in kaart. De Afdeling herhaalt in rechtsoverweging 5.1 in de eerste plaats haar vaste jurisprudentie, inhoudende dat de vraag of en zo ja, in hoeverre schade tot het normale maatschappelijke risico behoort, moet worden beantwoord met inachtneming van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval. Van belang is onder meer of de ontwikkeling als een normale maatschappelijke ontwikkeling kan worden beschouwd, waarmee de benadeelde rekening had kunnen houden in de zin dat de ontwikkeling in de lijn van de verwachtingen lag, ook al bestond geen concreet zicht op de omvang waarin, de plaats waar en het moment waarop de ontwikkeling zich zou voordoen. In dit verband komt betekenis toe aan de mate waarin de ontwikkeling naar haar aard en omvang binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving en het gevoerde beleid past. Omstandigheden die verder van belang kunnen zijn, zijn de afstand van de locatie waar de ontwikkeling heeft plaatsgevonden tot de onroerende zaak van de benadeelde en de aard en de omvang van het door de ontwikkeling veroorzaakte nadeel, aldus de Afdeling. De Afdeling benadrukt daarnaast in rechtsoverweging 5.1, onder verwijzing naar haar uitspraak van 24 december 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4668), dat het bestuursorgaan beoordelingsruimte heeft bij de vaststelling van de omvang van het normaal maatschappelijk risico en dat de rechter, indien de motivering niet volstaat, de omvang van het normaal maatschappelijk risico zelf kan vaststellen door in een concreet geval zelf te bepalen welke drempel of korting redelijk is.

    In rechtsoverweging 5.2 overweegt de Afdeling onder verwijzing naar haar uitspraak van 9 september 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2828) dat inbreiding van woningen in een bestaande woonkern in beginsel een normale maatschappelijke ontwikkeling is die zich voordoet in veel centra van steden en dorpen in Nederland. Dit betekent volgens de Afdeling op zichzelf echter nog niet dat de planologische ontwikkeling ook in de lijn der verwachtingen lag. De Afdeling verwijst voor wat betreft dit laatste naar haar uitspraak van 29 oktober 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3851).

    Rechtsoverweging 5.3 van deze uitspraak is interessant. Hierin overweegt de Afdeling dat voor de omstandigheid dat de ontwikkeling naar haar aard en omvang binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving van het plangebied past, niet de feitelijke situatie leidend is, maar het ter plaatse toepasselijke planologische regime. Dit laatste was in deze zaak van belang, omdat in de omgeving hoger kon worden gebouwd dat dan er feitelijk gebouwd was. Gelet hierop paste de nieuw te bouwen woningen, die hoger waren dan de reeds aanwezige woningen in de omgeving, naar haar aard en omvang binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving. In dit kader was overigens ook een door de gemeente met de provincie gesloten convenant van belang (zie voor dit laatste rechtsoverweging 5.4).

    In rechtsoverweging 5.5 overweegt de Afdeling vervolgens onder verwijzing naar haar uitspraak van 4 juni 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2009) dat de omstandigheid dat een planologische ontwikkeling in de lijn der verwachtingen lag, op zichzelf nog niet betekent dat de gevolgen van de ontwikkeling geheel onder het normaal maatschappelijk risico vallen. In dit verband komt tevens betekenis toe aan het antwoord op de vraag of de schade onevenredig is in verhouding tot de waarde van de onroerende zaak. Dit zijn verschillende aspecten die bij de beoordeling van het normaal maatschappelijk risico worden betrokken en elkaar niet uitsluiten, aldus de Afdeling. De Afdeling overweegt in rechtsoverweging 5.7, onder verwijzing naar haar uitspraak van 1 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2071), dat een normaal maatschappelijk risico van 5% weliswaar substantieel is, maar niet zodanig zwaar dat deze schade niet voor rekening van appellanten kan worden gelaten. De korte afstand van de woningen van appellanten tot de planologische ontwikkeling is volgens de Afdeling in dit kader niet van belang, omdat deze korte afstand reeds in de waardevermindering is verdisconteerd.