blog

    Revolutionair Ontwerp wetsvoorstel 'Kwaliteitsborging voor het bouwen'

    Auke Klomp
    Auke KlompPublicatiedatum: 11 maart 2015

    In een tijd waarin de bouwbranche voorzichtige tekenen van herstel vertoont, wil de praktijkgroep Bouwrecht van Hekkelman daaraan een steentje bijdragen. Hekkelman zal dat doen met een serie artikelen die een beeld schetst van de juridische werkelijkheid in de bouw. In die artikelen zullen vraagstukken worden behandeld die zich in de praktijk gedurende het hele bouwproces voordoen. Het idee daarachter is om professionals in de bouw (aannemers, adviseurs en opdrachtgevers) handzame informatie te geven over de juridische mogelijkheden én valkuilen in het bouwproces. Daarmee wil Hekkelman die professionals helpen een kwalitatief zo goed mogelijk resultaat te bereiken, faalkosten te beteugelen en zo de toegevoegde waarde van hun werk te vergroten.

    Ook advocaten zijn niet onfeilbaar. Als je mogelijkheden tot verbetering of aanvulling signaleert, stelt Hekkelman het op prijs dat je op jouw beurt die kennis met ons deelt.

    Ontwerp wetsvoorstel ‘Kwaliteitsborging voor het bouwen’

    Hekkelman begint deze serie met een artikel dat aandacht vraagt voor het Ontwerp wetsvoorstel ‘Kwaliteitsborging voor het bouwen’. Dat wetsvoorstel zal ingrijpende gevolgen hebben voor de nu bestaande regeling van de aansprakelijkheid van de aannemer voor na oplevering van het werk gebleken gebreken (de met een wat misleidende term aangeduide ‘verborgen gebreken’).

    Kwaliteitsborging

    Het wetsvoorstel strekt tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Woningwet. Het wetsvoorstel beoogt in het algemeen bij te dragen aan de verbetering van de bouwkwaliteit, het voldoen aan bouwregelgeving en de versterking van de positie van de opdrachtgever. De verantwoordelijkheid voor deze verbeteringen wordt bij de ontwerpende en uitvoerende partijen gelegd, de aannemers en de adviseurs dus. Door het verschuiven van die verantwoordelijkheid hoopt de wetgever te bereiken dat de bouwbranche een betere kwaliteit gaat leveren en professioneler wordt.

    Ik beperk mij hier tot de voorgestelde wijziging van artikel 7:758 lid 3 BW.

    Artikel 7:758 lid 3 BW: huidig en toekomstig

    Het grote verschil tussen het huidige en toekomstige artikel is in één oogopslag duidelijk:

    Huidig 7:758

    3. De aannemer is ontslagen van de aansprakelijkheid voor gebreken die de opdrachtgever op het tijdstip van oplevering redelijkerwijs had moeten ontdekken.;

    Toekomstig 7:758

    3. De aannemer is aansprakelijk voor gebreken die bij de oplevering van het werk niet zijn ontdekt, tenzij deze gebreken niet aan de aannemer zijn toe te rekenen. Van dit lid kan niet ten nadele van de opdrachtgever worden afgeweken.

    Ten aanzien van gebreken die na oplevering aan het licht treden, geeft het huidige artikel een aansprakelijkheidsuitsluiting voor de aannemer, terwijl het toekomstige artikel juist aansprakelijkheid schept voor de aannemer. Aan die aansprakelijkheid kan de aannemer ook niet contractueel ontsnappen omdat zij dwingendrechtelijk is voorgeschreven. Dat dwingendrechtelijke karakter geldt voor contracten zowel met consumenten als met professionele opdrachtgevers.

    Uit de toelichting van het wetsvoorstel blijkt verder dat de vraag of een gebrek bij oplevering door (of namens) de opdrachtgever is ontdekt in feitelijke zin moet worden beantwoord. Maatgevend is of het gebrek wel of niet vermeld is in het proces-verbaal van oplevering. Voor de discussie of het gebrek voorafgaand of bij oplevering ontdekt had behoren te worden, zal dus vrijwel geen plaats meer zijn.

    De wetgever verwacht dat de verschuiving van aansprakelijkheid de aannemer ertoe zal brengen kwalitatief beter werk te leveren om verborgen gebreken en daarmee aansprakelijkheid te voorkomen. Daarbij zijn volgens de wetgever zowel aannemer als opdrachtgever gebaat.

    Voor- en tegenstanders

    Het ontwerp-wetsvoorstel heeft al tot veel discussie geleid: er zijn (felle) voorstanders en (op zijn minst even felle) tegenstanders. Voor al hun argumenten valt wel wat te zeggen. Het effect van de huidige regeling dat (vooral aan niet-juristen) moeilijk uit te leggen valt, is dat de aannemer die een (opzichtige) fout maakt daarop niet of verminderd kan worden aangesproken, omdat de onverplicht door de opdrachtgever ingeschakelde directie die fout niet (tijdig) heeft opgemerkt. Een vergelijkbare regeling die de aansprakelijkheid voor de gevolgen van een fout op die wijze buiten de veroorzaker legt, is elders in ons rechtssysteem niet te vinden. Ook in het buitenlandse bouwrecht komt een dergelijke regeling niet voor. Vanuit de praktijk van de bouw bezien, is de vraag of de voorgestelde regeling wel zo bezwaarlijk is voor aannemers. De crisis in de bouw is mede een gevolg van dat ontwikkelaars te weinig gericht zijn geweest op de wensen en behoeftes van de uiteindelijke gebruikers van hun gebouwen. Elke moderne ontwikkelaar/aannemer heeft (veel) meer oog gekregen voor de (duurzame) aanvaarding van zijn product door de opdrachtgever of gebruiker. Dat betekent dat hij niet zozeer ervaart dat hij kwaliteit moet leveren, maar dat hij kwaliteit wil leveren. Die filosofie zal door zijn opdrachtgevers worden herkend en gewaardeerd.

    Gevolgen van de toekomstige regeling

    Hoewel het ontwerp-wetsvoorstel nog voor advies moet worden aangeboden bij de Raad van State, is de verwachting dat het niet ingrijpend zal worden veranderd. De overheid is immers, als grootste opdrachtgever van de bouw, vooral ook zelf bij de voorgestelde revolutie gebaat, terwijl de bouwlobby sinds de bouwfraude-affaire en de crisis nog weinig aansprekende resultaten heeft behaald. De vraag is dus welke gevolgen verwacht kunnen worden. Ik noem enkele.

    De diverse algemene voorwaarden die veelvuldig in de bouw worden gehanteerd, zullen vanwege het dwingendrechtelijk karakter van de voorgestelde regeling moeten worden aangepast. UAV 2012, UAV GC 2005 en AVA 2013 kennen alle regelingen die strijdig zijn met de voorgestelde regeling.

    De leest waarop veel bouwcontracten zijn geschoeid, zal niet meer goed passen. Waar de aansprakelijkheid van de aannemer het uitgangspunt wordt door de omgekeerde bewijslast, zullen aannemers behoefte voelen die bewijslast in te kaderen en de opdrachtgever te verplichten tot het uitoefenen van (verscherpt) toezicht.

    Vanuit de gedachte dat bouwclaims zullen toenemen, zullen verzekeraars hun voorwaarden van aansprakelijkheidsverzekeringen willen aanpassen en de premies voor die polissen verhogen.

    Vanwege het toenemende risico van de aannemer is denkbaar dat de prijzen in de bouw zullen stijgen.

    Conclusie

    Het is nog te vroeg om al conclusies te trekken over de toekomst van de bouw in het geval het ontwerp-wetsvoorstel wet wordt. Voor het vaak genoemde gevolg dat de opdrachtgever gedurende het bouwproces achterover zal kunnen leunen en beloond zal worden voor het zo min mogelijk houden van toezicht, ben ik niet bang. Die gedachte gaat er vanuit dat aan de kant van de opdrachtgever niets zou zijn veranderd door de crisis. Dat is nu juist niet het geval. De opdrachtgever is bij uitstek gericht op en gebaat bij het verkrijgen van een gebouw dat kwalitatief overeenstemt met het door hem goedgekeurde ontwerp. Tijdens de uitvoering zal hij eraan willen bijdragen dat die kwaliteit wordt verwezenlijkt. Voor die kwaliteit en het ontbreken van gebreken zal hij ook best wat meer willen betalen.