blog

    Partneralimentatie: het huwelijk als levensverzekering?

    Anouk van Dijk
    Anouk van DijkPublicatiedatum: 12 april 2015

    Partneralimentatie is een onderwerp dat de gemoederen blijft bezighouden. Hoewel een wetsvoorstel om de duur van de partneralimentatie te verkorten – van 12 naar 5 jaar – in 2014 door de Tweede Kamer is verworpen, loopt de discussie hierover in de politiek door. In de rechtspraak lijkt al wél een nieuwe koers te ontstaan. Daarbij wordt het idee van de lotsverbondenheid tussen ex-echtgenoten steeds meer losgelaten.

    Bij het aangaan van een huwelijk (of geregistreerd partnerschap) ontstaat een wederzijdse onderhoudsverplichting. Op grond van artikel 1:81 van het Burgerlijk Wetboek zijn echtgenoten tijdens het huwelijk verplicht om “elkaar het nodige te verschaffen”. Ook na echtscheiding of ontbinding van een geregistreerd partnerschap blijft de wederzijdse onderhoudsverplichting bestaan. De grondslag voor deze onderhoudsverplichting is de lotsverbondenheid die door het huwelijk is ontstaan en die na de beëindiging van het huwelijk doorwerkt. Er is in en buiten de politiek al geruime tijd discussie over de hoogte, duur en achterliggende gedachte van de partneralimentatie. Sinds de totstandkoming van de huidige wetgeving zijn de verhoudingen binnen de samenleving met betrekking tot het huwelijk namelijk enorm gewijzigd. Zo is het aantal echtscheidingen aanzienlijk toegenomen. Ook ten aanzien van de verhoudingen tussen man en vrouw hebben zich de afgelopen jaren belangrijke wijzigingen voorgedaan. Van een klassiek rollenpatroon tussen man en vrouw is als gevolg van de vrouwenemancipatie bijna geen sprake meer; steeds meer vrouwen zijn actief op de arbeidsmarkt. Ook in de rechtspraak is een nieuwe ontwikkeling te zien, die niet langer alleen uitgaat van de lotsverbondenheid tussen ex-partners, maar van het meer zakelijke criterium van het verlies aan verdiencapaciteit tijdens het huwelijk. In hoeverre heeft het huwelijk een negatieve invloed gehad op de mogelijkheid van de ex-partner om nog in zijn/haar eigen kosten van levensonderhoud te kunnen voorzien? In deze nieuwsbrief staan de ontwikkelingen in de rechtspraak ten aanzien van de behoefte van de alimentatiegerechtigde centraal.

    Behoefte

    De behoefte is het bedrag dat de alimentatiegerechtigde na de echtscheiding nodig heeft om in zijn/haar kosten van levensonderhoud te kunnen voorzien. Voor de bepaling van de behoefte van de alimentatiegerechtigde heeft de Werkgroep Alimentatienormen een handvat, de zogenaamde Hofnorm, gecreëerd, welke er van uitgaat dat de behoefte van de alimentatiegerechtigde gelijk is aan 60% van het netto besteedbaar inkomen van partijen tijdens het huwelijk, wanneer daarop de kosten van de kinderen in mindering zijn gebracht.

    De berekening van de behoefte is echter maatwerk en ook in de jurisprudentie (HR 19 december 2003 LJN:AM2379) blijkt dat door een alimentatiegerechtigde niet kan worden volstaan met een verwijzing naar de Hofnorm, zonder deze te onderbouwen. Een alimentatiegerechtigde zal dus altijd een behoeftelijstje moeten opstellen en een onderbouwing van de door hem/haar gestelde behoefte moeten geven.

    Behoeftigheid

    Behoefte is niet hetzelfde als behoeftigheid; dat een gewezen echtgenoot behoefte heeft, is nog geen grond voor een alimentatie-uitkering. Het gaat om behoeftigheid, dat wil zeggen kan de alimentatiegerechtigde zelf genoeg verdienen om in het eigen levensonderhoud te voorzien? In de jurisprudentie is een kentering te zien.

    Werd eerder nog gemakkelijk uitgegaan van het huidige inkomen van de alimentatiegerechtigde en de lotsverbondenheid tijdens het huwelijk, inmiddels kijkt de rechter steeds meer naar de verdiencapaciteit van de alimentatiegerechtigde. De alimentatiegerechtigde heeft een inspanningsverplichting om er alles aan te doen om (voldoende) eigen inkomen te verwerven. Uit diverse uitspraken, van bijvoorbeeld het Gerechtshof Den Haag (d.d. 28 januari 2015) en het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (d.d. 22 januari 2015), blijkt dat de rechter steeds kritischer is op die inspanningsverplichting. De alimentatiegerechtigde moet bijvoorbeeld door middel van sollicitatiebrieven aantonen dat het ondanks zijn/haar inspanningen, niet mogelijk is om meer inkomen te verwerven. De sollicitatieplicht die aan een ww-uitkering is gekoppeld, is voor een rechter niet voldoende. De Hoge Raad legt een eigen maatstaf aan en acht zich niet gebonden aan het oordeel van de uitkeringsinstantie daaromtrent. Als een alimentatiegerechtigde zich niet voldoende heeft ingespannen, wordt een fictief inkomen berekend. De hoogte daarvan is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals opleiding, werkervaring, de leeftijd van de kinderen van partijen, etc.

    Aldus wordt het criterium voor de partneralimentatie het verlies aan verdiencapaciteit van de alimentatiegerechtigde tijdens het huwelijk: enkel voor zover de alimentatiegerechtigde niet meer in zijn/haar eigen behoefte kan (en/of zou kunnen) voorzien, is de partneralimentatie een aanvulling. De zelfredzaamheid lijkt een grotere rol te spelen.

    Conclusie

    Het huwelijk is geen levensverzekering. De grondslag van de lotsverbondenheid van ex-partners wordt steeds meer losgelaten en de alimentatiegerechtigde partner wordt geacht om na echtscheiding alles in het werk te stellen om in zijn/haar eigen kosten van levensonderhoud te kunnen voorzien. De rechter stelt hieraan hoge eisen. Het is aan de alimentatiegerechtigde om de behoefte aan een bijdrage in zijn/haar kosten van levensonderhoud aan te tonen. Slaagt hij/zij daarin niet, dan wordt door de rechtbank in het uiterste geval het alimentatieverzoek afgewezen.