blog

    Gedoogplicht op grond van de Belemmeringenwet Privaatrecht voldoet niet aan proportionaliteitsvereiste

    Publicatiedatum: 14 januari 2016

    In deze nieuwsbrief vragen wij jouw aandacht voor de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: “de Afdeling“) van 30 december 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:4037). In deze uitspraak ligt de vraag voor of de opgelegde gedoogbeschikking proportioneel is.

    Essentie

    De Afdeling overweegt dat de minister onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt in hoeverre hij de belangen van de grondgebruiker bij zo min mogelijke belemmering van de grond heeft betrokken bij de besluitvorming. In de gedoogbeschikking zijn geen beperkingen gesteld aan de duur van de werkzaamheden en het gedeelte van het perceel dat benodigd is voor de werkzaamheden. De minister had inzichtelijk moeten maken waarom geen beperkingen zijn opgenomen, aldus de Afdeling.

    Nader bekeken

    Op verzoek van TenneT heeft de minister een gedoogplicht opgelegd in verband met de aanleg en instandhouding van de 380 kV-hoogspanningsverbinding. De gedoogplicht ziet op een zestal kadastrale percelen. TenneT is voornemens om vijf van deze percelen gedeeltelijk te gebruiken voor de aanleg en de instandhouding van de kabels van de 380 kV-hoogspanningsverbinding. Eén perceel zal door TenneT worden gebruikt als tijdelijke werkweg. De tijdelijke werkweg is benodigd als aanvoerroute voor masten die op nabijgelegen gronden zijn voorzien. De pachter van de gronden heeft tegen de gedoogbeschikking beroep ingesteld bij de Afdeling.

    De pachter betoogt dat de minister ten onrechte geen voorwaarden heeft verbonden aan de gedoogbeschikking ter beperking van de belemmering van het gebruik van zijn pachtgronden. De gedoogplicht ziet op de gehele kadastrale percelen, terwijl slechts een deel van de percelen benodigd is voor de aanleg en instandhouding van de hoogspanningsverbinding. De pachter beroept zich derhalve op het proportionaliteitsvereiste dat voortvloeit uit de Belemmeringenwet Privaatrecht. Ter zitting heeft de minister toegelicht dat hij het onvoorwaardelijke karakter van de gedoogbeschikking gerechtvaardigd acht, omdat hij TenneT bij de aanleg en instandhouding van de hoogspanningsverbinding flexibiliteit heeft willen bieden.

    De Afdeling overweegt:

    “De wens van de minister om TenneT enige flexibiliteit te bieden ten koste van de gebruiksmogelijkheden van de (pacht)gronden van [appellant] acht de Afdeling op zichzelf niet onredelijk, gelet op de omvang van het werk en het openbaar belang dat met de aanleg en instandhouding daarvan is gemoeid. Dit laat echter onverlet dat de minister, gelet op het proportionaliteitsvereiste in artikel 1 van de BP, bij zijn besluitvorming ook de belangen van [appellant] bij zo min mogelijk belemmering in het gebruik van zijn (pacht)gronden alsmede het belang van [appellant] bij meer rechtszekerheid dient te betrekken. De minister heeft niet inzichtelijk gemaakt in hoeverre hij deze belangen van [appellant] heeft betrokken bij zijn besluitvorming.”.

    Door de minister is niet inzichtelijk gemaakt waarom de gedoogbeschikking ziet op alle percelen in hun geheel en niet slechts op de gedeelten van die percelen die TenneT redelijkerwijs benodigd heeft. Daarnaast heeft de minister evenmin inzichtelijk gemaakt waarom in de formulering van de gedoogbeschikking geen beperkingen zijn gesteld aan de duur van de aanlegwerkzaamheden. Op grond van de gedoogplicht dient pachter immers de aanlegwerkzaamheden door TenneT voor een onbeperkte termijn op de gronden te gedogen. De Afdeling vernietigt de gedoogplicht.