blog

    Geen verboden staatssteun; wel aansprakelijk voor schadevergoeding?!

    Richard van Breevoort
    Richard van BreevoortPublicatiedatum: 14 april 2016

    Inleiding

    In een steeds verder gereguleerde wereld merk je dat steeds meer mensen een beroep doen op al die regels. Niemand is gelijk, maar iedereen wil wel gelijk behandeld worden. Dat geldt vooral als de overheid de partij is door wie een andere partij zich benadeeld voelt. Als die benadeling bestaat uit oneerlijke mededinging wordt doorgaans een beroep gedaan op de Europese staatssteunregels. Die verbieden het verlenen van een niet-marktconform voordeel aan een individuele onderneming als daardoor de mededinging wordt vervalst. Als er sprake is van verboden staatssteun dan is de maatregel of overeenkomst waarmee de steun is verleend nietig en moet het genoten voordeel terugbetaald worden. Een geslaagd beroep op staatssteun heeft dus tot effect dat de oorspronkelijke marktsituatie wordt hersteld en bewerkstelligt in concurrentieverhoudingen een grote mate van gelijkheid: ik geen steun, dan jij ook geen steun. Afgezien van de politieke gevoeligheid, ontvangt de overheid vanwege de verplichte terugvordering de verleende steun doorgaans terug.

    Essentie uitspraak Rechtbank

    Maar het kan ook heel anders, zo leert een uitspraak van de rechtbank Den Haag [ECLI:NL:RBDHA:2015:15812] in een zaak die niet tot terugvordering van steun, maar wel tot schadevergoeding aan de benadeelde concurrent leidt.

    In deze uitspraak werd het beroep op ongeoorloofde staatssteun niet gehonoreerd omdat de rechtbank oordeelde dat er geen sprake was van ongunstige beïnvloeding van de tussenstaatse handel (één van de voorwaarden om te spreken van staatssteun). De gevolgen van de steun hadden alleen lokaal effect in Stolwijk (gemeente Krimpenerwaard). De eisende horecaexploitant had echter ook een beroep gedaan op schending van het zorgvuldigheidsbeginsel: bij het verlenen van voordeel aan een andere exploitant had de gemeente zijn kenbare belangen niet meegewogen. Dat was jegens hem onzorgvuldig en daarmee onrechtmatig.

    Wat was het geval?

    De horecaexploitant had een restaurant en zalencentrum in Stolwijk. De gemeente verkocht aan een concurrerende exploitant een op een afstand van 300 m. gelegen, niet renderende sporthal met activiteitencentrum ‘De Stolp’. De koopprijs lag beduidend lager dan de vraagprijs (€ 210.000,00 om € 295.000,00); de gemeente verstrekte een lening voor de betaling van de koopprijs tegen een rente van 2%; de gemeente nam voor haar rekening de kosten koper en enkele andere kosten die de koper normaliter maakt. De concurrerende exploitant streefde een commerciële exploitatie na en verhuurde haar zalen flink beneden de door de horecaexploitant gehanteerde tarieven. Die laatste exploitant merkte dat zijn zalen minder in trek raakten.

    De rechtbank oordeelde dat er geen sprake was van verboden staatssteun, omdat de tussenstaatse handel niet werd beïnvloed. Zij oordeelde echter ook dat het zorgvuldigheidsbeginsel was geschonden. Op grond van artikel 3:14 BW had de gemeente in haar privaatrechtelijk handelen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel, in acht moeten nemen. Dat had zij nagelaten door bij de verkoop van De Stolp het belang van de horecaexploitant om niet met oneerlijke concurrentie geconfronteerd te worden, niet mee te wegen. Bij de beoordeling van de vraag of er sprake was van oneerlijke concurrentie gebruikte de rechtbank maatstaven die gewoonlijk ook bij een staatsteuncheck worden gehanteerd. Zo werden de lage koopprijs en de lening tegen niet-marktconforme condities als oneerlijke bevoordeling aangemerkt als gevolg waarvan de zalen tegen een lagere huur konden worden aangeboden. Omdat feitelijk vaststond dat de horecaexploitant daardoor omzetverlies en dus schade had geleden, werd de gemeente al met al aansprakelijk geacht uit onrechtmatige daad.

    Uiteindelijk werd de zaak ter begroting van de schade doorverwezen naar de schadestaatprocedure. Daarbij werd partijen overigens aangeraden tot een minnelijke regeling te komen omdat de schadebegroting naar de mening van de rechtbank zo veel tijd en kosten zou vergen dat die niet op zouden wegen tegen de te begroten schadevergoeding.

    Eind goed, alles fout?

    Aldus is deze uitkomst eigenlijk de meest ongunstige voor de gemeente. Immers:

    de zaak is én politiek gevoelig;

    én het verleende voordeel hoeft niet te worden terugbetaald;

    én de schade van de horecaexploitant moet worden vergoed.

    In dit specifieke geval lijkt de omvang van die schade wel mee te vallen. Echter, juist omdat de steunmaatregel in stand blijft, zijn ook gevallen denkbaar dat die schade flink kan oplopen. Het is voor overheden dus aan te raden om in voorkomende gevallen naast een staatssteuncheck ook te beoordelen of de belangen van concurrenten moeten worden afgewogen. Het spreekt voor zich dat deze ‘checks’ van tevoren moeten worden gedaan.

    In het licht van de in de inleiding van deze nieuwsbrief geconstateerde maatschappelijke tendens, is het overigens de vraag of deze zaak aanleiding wordt voor concurrenten om, ook in gevallen dat er wel sprake is van ongeoorloofde staatssteun, een vordering uit onrechtmatige daad tegen de overheid in te stellen. Immers, bij verboden staatsteun werkt weliswaar de nietigheid van de steunmaatregel terug tot het moment dat zij werd verleend en moet het verkregen voordeel worden terugbetaald, maar totdat die steunmaatregel wordt vernietigd kunnen concurrenten door die maatregel omzetderving lijden. Die schade wordt door middel van de nietigheid hoe dan ook niet ongedaan gemaakt.

    Het kon wel eens een kwestie van tijd zijn totdat dit besef bij concurrenten gaat doordringen.