blog

    Exceptieve toetsing planvoorschrift aan omgevingsverordening

    Tycho Lam
    Tycho LamPublicatiedatum: 15 september 2015

    Met deze nieuwsbrief vragen wij je aandacht voor de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: “Afdeling“) van 9 september 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2818). Het beroep was gericht tegen een verleende omgevingsvergunning voor het bouwen. Via deze band werd de inhoud van het bestemmingsplan ter discussie gesteld. Appellanten stelden dat het planvoorschrift waaraan de omgevingsvergunning voor het bouwen was getoetst, onverbindend moest worden verklaard omdat dit planvoorschrift in strijd is met de instructieregels van de provinciale omgevingsverordening (artikel 4.1 lid 1 Wet ruimtelijke ordening).

    Essentie

    Uit deze uitspraak volgt dat exceptieve toetsing van een planvoorschrift aan de zogenoemde instructieregels in de omgevingsverordening (artikel 4.1 lid 1 Wet ruimtelijke ordening) mogelijk is.

    Nader bekeken

    Burgemeester en wethouders hebben een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een retailpark met hypermarkt (“Focus-U-Park”) met een oppervlakte van bijna 30.000 m2. De omgevingsvergunning staat een veelheid van activiteiten toe, van de handel in auto’s en auto-onderdelen tot detailhandel en reparatie ten behoeve van particulieren, variërend van hypermarkten tot cafés, sportscholen en kappersbedrijven. Appellanten betogen dat het planvoorschrift dat het bouwplan mogelijk maakt, onverbindend moet worden verklaard en het bouwplan niet aan die bepaling mocht worden getoetst.

    De relevante overweging begint met een beschrijving van exceptieve toetsing:

    “Exceptieve toetsing van een besluit van algemene strekking houdt in dat het besluit buiten toepassing blijft indien het in strijd is met een wettelijk voorschrift dan wel indien het in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel. Het is aan het bevoegd gezag om de verschillende belangen, die bij het nemen van een besluit van algemene strekking betrokken zijn, tegen elkaar af te wegen. De rechter heeft daarbij niet tot taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend naar eigen inzicht vast te stellen en heeft ook overigens daarbij terughoudendheid te betrachten.”

    Vervolgens overweegt de Afdeling dat de artikelen uit de omgevingsverordening waarnaar appellanten verwijzen, betrekking hebben op toekomstige ontwikkelingen in nieuwe bestemmingsplannen die vastgesteld worden na de inwerkingtreding van de omgevingsverordening. De betreffende artikelen hebben daarmee eerbiedigende werking. Het planvoorschrift behoeft dan ook niet buiten toepassing te worden gelaten.

    De Afdeling oordeelt als volgt:

    “De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college ten onrechte het bouwplan heeft getoetst aan artikel 9 van de planvoorschriften. In dit verband wordt overwogen dat het bepaalde in de artikelen 2.4.2, eerste lid, 2.4.3, eerste lid en 2.4.4, eerste lid, van de Omgevingsverordening, gelet op de in die artikelen gebruikte term “nieuwe”, niet van toepassing is op de ten tijde van de inwerkingtreding bestaande gebruiksmogelijkheden, neergelegd in het bestemmingsplan, maar zijn gericht op toekomstige gebruiksmogelijkheden bij de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan na de inwerkingtreding van de Omgevingsverordening. Deze artikelen hebben naar het oordeel van de Afdeling eerbiedigende werking. De omstandigheid dat nog geen gebruik is gemaakt van de mogelijkheden van het bestemmingsplan, brengt niet met zich dat het bouwplan om die reden voorziet in een nieuwe ontwikkeling als bedoeld in voormelde artikelen, reeds omdat in het bestemmingsplan in een dergelijke ontwikkeling is voorzien. Het vorenstaande betekent dat, nu het bestemmingsplan vóór de inwerkingtreding van de Omgevingsverordening is vastgesteld en in werking getreden, het bepaalde in voornoemde artikelen toepassing mist. Gelet hierop is de in artikel 4.1, tweede lid, van de Wro neergelegde implementatietermijn hier niet van toepassing.

    Gezien het vorenstaande heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat artikel 9 van de planvoorschriften buiten toepassing moet worden gelaten. Nu artikel 9 van de planvoorschriften niet in strijd is met de Omgevingsverordening wordt niet toegekomen aan de vraag of het overgangsrecht, zoals neergelegd in artikel 8.2.1 van de Omgevingsverordening, van toepassing is. Het college heeft derhalve terecht beoordeeld of het bouwplan al dan niet in strijd is met artikel 9 van de planvoorschriften.”.