blog

    Passende beoordeling en saldering

    Paul Bodden
    Paul BoddenPublicatiedatum: 17 april 2015

    Op 15 april 2015 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ‘de Afdeling’) een belangrijke uitspraak gedaan over de passende beoordeling (ex artikel 19j van de Natuurbeschermingswet 1998) (ECLI:NL:RVS:2015:1161).

    Essentie

    Aan de orde was een bestemmingsplan dat voorzag in de nieuwvestiging van een veehouderij. De Afdeling oordeelde dat ten onrechte geen passende beoordeling was gemaakt. Zij liet de rechtsgevolgen van het besluit evenwel in stand. Hierbij achtte zij van belang dat na de vaststelling van het bestemmingsplan een natuurbeschermingswetvergunning was verleend, welke ook onherroepelijk was geworden. Voor het bestemmingsplan en de natuurbeschermingswetvergunning was gesaldeerd met de ammoniakdepositie van hetzelfde bedrijf. In de planregels was vastgelegd dat de veehouderij maximaal mocht voorzien in een ammoniakemissie die overeenkwam met de door middel van de natuurbeschermingswetvergunning vergunde emissie. In zo’n geval kan een passende beoordeling (en daarmee een plan-MER ex artikel 7.2a van de Wet milieubeheer) achterwege blijven, aldus de Afdeling. Er kunnen dan immers geen nieuwe elementen zijn die niet reeds bij de eerder gemaakte passende beoordeling zijn betrokken.

    Een tweede belangrijk element van de uitspraak betreft de overweging van de Afdeling dat indien er een ontheffing van een ruimtelijke verordening als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid van de Wet ruimtelijke ordening is verleend, een latere ruimtelijke verordening uitsluitend in acht hoeft te worden genomen voor zover deze verenigbaar is met de verleende ontheffing. Anders zou de ontheffing (deels) zinledig worden.

    Nader bekeken

    De relevante rechtsoverweging met betrekking tot het instandlaten van de rechtsgevolgen luidt als volgt:

    “17.3. De Afdeling ziet evenwel aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb geheel in stand te laten en overweegt hiertoe het volgende. Inmiddels is voor de veehouderij aan de Molenschut op 17 september 2014 een vergunning verleend op grond van de Nbw 1998, waarin de maximale ammoniakemissie van 2.424,4 kg/NH3 per jaar ook is vastgelegd. Deze vergunning is onherroepelijk. Tussen het project met deze maximaal toegestane ammoniakemissie en de intrekking van de milieuvergunningen van de veehouderijen aan de Strijperdijk bestaat een directe samenhang. De locaties aan de Strijperdijk liggen dichterbij Natura 2000-gebieden dan het plangebied en uit de passende beoordeling volgt dat door middel van externe saldering in deze gebieden geen toename van stikstofdepositie zal plaatsvinden als gevolg van de nieuwvestiging van de intensieve veehouderij aan de Molenschut. In het plan is door middel van artikel 4, lid 4.4.1, van de planregels vastgelegd dat de voorziene activiteit uitsluitend is toegestaan indien deze wordt gerealiseerd overeenkomstig de aanvraag omgevingsvergunning activiteit milieu aanvraagnummer 116425, januari 2014, dan wel op een andere wijze mits de milieubelasting gelijk of minder is. In dit verband is in de aanvraag opgenomen dat de ammoniakemissie 2.424,4 kg/NH3 per jaar zal bedragen. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 19f, derde lid, van de Nbw 1998 (Kamerstukken II 2001-2002, 28171, nr. 3, p. 21), waarin een met artikel 19j, vijfde lid, van de Nbw 1998 vergelijkbare regeling voor besluiten is opgenomen, volgt dat een passende beoordeling achterwege kan blijven in gevallen waarin voor het project in een eerdere fase van de besluitvormingsketen reeds een passende beoordeling is gemaakt, tenzij er nieuwe elementen zijn die niet of niet volledig bij de eerdere beoordeling zijn betrokken. Nu het plan uitsluitend voorziet in de inrichting waarvoor in het kader van de onherroepelijke vergunning een passende beoordeling is gemaakt en in artikel 4, lid 4.4.1, van de planregels is geborgd dat het plan niet in meer ammoniakemissie mag voorzien dan in de betrokken milieuvergunning en de vergunning op grond van de Nbw 1998 is vastgelegd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat er geen nieuwe elementen kunnen zijn die niet reeds bij de eerder gemaakte passende beoordeling zijn betrokken. Onder de gegeven omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat een voor het plan te maken passende beoordeling redelijkerwijs geen nieuwe gegevens en inzichten kan opleveren en bestaat er in dit geval evenmin een verplichting tot het maken van een plan-MER.”