blog

    Nieuwe stedelijke ontwikkeling

    Luuk Gerritsen
    Luuk GerritsenPublicatiedatum: 18 maart 2015

    Op 4 maart 2015 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van de State (hierna: “de Afdeling“) een uitspraak gedaan over de toepasselijkheid van de ladder duurzame verstedelijking als bedoeld in artikel 3.1.6 lid 2 Besluit ruimtelijke ordening (hierna: “het Bro“). Hierbij komt het begrip “stedelijke ontwikkeling” (opnieuw) aan orde (ECLI:NL:RVS:2015:609).

    Essentie

    In een bestemmingsplan is een planregel opgenomen die betrekking heeft op internetverkoop zonder afhaalpunt. De internetverkoop leidt niet tot nieuw ruimtebeslag, maar ziet slechts op een beperkte wijziging van het toegestane gebruik. De Afdeling is van oordeel dat er in dit geval door het toestaan van internetverkoop zonder afhaalpunt geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro en aldus niet hoeft te worden voldaan aan artikel 3.1.6 lid 2 van het Bro. Deze uitspraak past in de recent door de Afdeling ingezette lijn.

    Nader bekeken

    Op 1 oktober 2012 is in artikel 3.1.6 van het Bro een nieuw tweede lid opgenomen waarin de zogenoemde ladder voor duurzame verstedelijking is neergelegd (Stb. 2012, 388). Op grond hiervan dient de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt aan een aantal voorwaarden te voldoen. Samengevat moet in drie stappen het beslag dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling op de ruimte legt, worden onderbouwd.

    Het begrip “stedelijke ontwikkeling” is gedefinieerd in artikel 1.1.1 lid 1, aanhef en onder i van het Bro:

    “stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen”.

    Indien een ontwikkeling niet onder deze definitie valt, behoeft niet te worden voldaan aan artikel 3.1.6 lid 2 Bro, met andere woorden, de ladder voor duurzame verstedelijking hoeft dan niet te worden toegepast.

    In de uitspraak van 4 maart 2015 gaat het om een bestemmingsplan “Bedrijventerreinen” waarin een bestemmingsplanregel met betrekking tot internetverkoop is opgenomen. Appellant voert aan dat deze bestemmingsplanregel in strijd met artikel 3.1.2 lid 2 Bro is vastgesteld. De Afdeling overweegt dat geen sprake is van nieuw ruimtebeslag en dat slechts een beperkte wijziging van het toegestane gebruik mogelijk is. Naar het oordeel van de Afdeling is derhalve geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en behoeft de ladder voor duurzame verstedelijking niet te worden toegepast. Deze uitspraak past in de recent door de Afdeling ingezette lijn.

    In een uitspraak van 10 december 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4421) was sprake van een wijziging van de gebruiksmogelijkheden binnen bestaande bebouwing in een centrumwinkelgebied in die zin dat geen of weinig hinder veroorzakende horeca vrij werd toegestaan. De Afdeling oordeelde in deze zaak dat geen sprake was van een nieuwe stedelijke ontwikkeling aangezien de bebouwing reeds aanwezig was en er geen nieuw beslag op de ruimte plaatsvond. De Afdeling achtte het van belang dat het plan naar haar oordeel slechts gericht was op een verruiming van de gebruiksmogelijkheden.

    Daarna volgde op 21 januari 2015 een Afdelingsuitspraak over een omgevingsvergunning waarbij de af- en verbouw en het gebruik van een pand als restaurant voor de duur van 15 jaar werd toegestaan (ECLI:NL:RVS:2015:96). De Afdeling overwoog dat nu de verleende omgevingsvergunning voorzag in het afbouwen en verbouwen van een deel van een reeds aanwezig pand als restaurant en een interne verbouwing ten behoeve van dat gebruik, zonder dat er een nieuw beslag op de ruimte plaatsvond, daarmee geen nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk werd gemaakt in de zin van artikel 3.1.6 lid 2 Bro.

    In een recente uitspraak (AbRS 18 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:428) was sprake van een bestemmingsplan waarin de gebruiksmogelijkheden voor units binnen een bedrijfsverzamelgebouw werden verruimd, zonder dat er een nieuw beslag op de ruimte plaatsvond. De Afdeling oordeelde dat het plan niet voorzag in een zodanige functiewijziging dat om die reden sprake was van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.

    Anders dan in de uitspraken van 10 december 2014 en 21 januari 2015 lijkt de Afdeling in de uitspraak van 18 februari 2015 met de toevoeging van “zodanige” voor een meer genuanceerde benadering te kiezen. Wij gaan er van uit dat de aanduiding “beperkte” in de uitspraak van 4 maart 2015 in hetzelfde licht moet worden gelezen.