blog

    Verhouding tussen schade op grond van de Wro en de Waterwet

    Publicatiedatum: 19 januari 2016

    In deze nieuwsbrief vragen wij de aandacht voor de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: “de rechtbank“) van 22 december 2015 (ECLI:NL:RBOBR:2015:7376). In deze uitspraak ligt de vraag voor of de tegemoetkoming in de schade als gevolg van de planologische aanwijzing als waterbergingsgebied dient te worden toegekend op grond van afdeling 6.1 Wro of op grond van artikel 7.14 Waterwet.

    Essentie

    In artikel 7.16 Waterwet is de voorrangsregeling opgenomen om de door de uitoefening van taken of bevoegdheden in het kader van het waterbeheer veroorzaakte planologische schade onder de werking van de Waterwet af te handelen. De rechtbank overweegt dat de situatie zich kan voordoen dat een aanwijzing in het ruimtelijke spoor heeft plaatsgevonden, maar een aanwijzing in het waterspoor (nog) achterwege is gebleven. In die situatie kan geen beroep worden gedaan op artikel 7.14, gelezen in samenhang met artikel 7.16 Waterwet. In een dergelijk geval biedt afdeling 6.1 Wro de grondslag voor een verzoek om een tegemoetkoming in de schade.

    Nader bekeken

    Twee eigenaren van percelen gelegen in het buitengebied hebben bij de gemeente een aanvraag tot tegemoetkoming in de planschade ingediend, in verband met schade ten gevolge van de vaststelling van een planologisch besluit. In het planschadeadvies, dat ten grondslag ligt aan het primaire besluit, is de aanwijzing van gronden in het nieuwe planologisch regime als waterbergingsgebied niet meegenomen in de planologische vergelijking. Volgens de twee grondeigenaren is dat ten onrechte niet gebeurd. Er dient volgens de grondeigenaren een onderscheid te worden gemaakt tussen de planologische aanwijzing in het bestemmingsplan, waarvan de schade dient te worden vergoed op grond van artikel 6.1 Wro, en de inrichting van het gebied, waarvan de schade valt onder de reikwijdte van artikel 7.14 Waterwet. Het college van burgemeester en wethouders stelt zich op het standpunt dat de voorrangsregeling van artikel 7.16 Waterwet van toepassing is en de grondeigenaren zich met een verzoek om schadevergoeding tot het waterschap moeten wenden.

    Ter beantwoording van de vraag of de schade als gevolg van de planologische aanwijzing als waterbergingsgebied dient te worden toegekend op grond van afdeling 6.1 Wro citeert de rechtbank enkele overwegingen uit de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 april 2012, 31 oktober 2012, 25 februari 2015. De rechtbank leidt uit deze uitspraken af, in combinatie met de geschiedenis van de totstandkoming van de Waterwet, dat er zich situaties kunnen voordoen, waarin de aanwijzing van een waterbergingsgebied voor vergoeding op grond van de Waterwet in aanmerking komt en dat die schadevergoeding mede een vergoeding betreft van eventuele nadelige planologische gevolgen van die aanwijzing. De rechtbank overweegt:

    “Hiervan is met name sprake, wanneer zowel een aanwijzing in het planologische spoor als een aanwijzing in het waterspoor – door opname op de legger – heeft plaatsgevonden. In dat geval biedt artikel 7.16 van de Waterwet een voorrangsregeling.”.

    Deze situatie is echter in deze zaak niet aan de orde. In dit geval is sprake van een planologische aanwijzing van gronden voor waterberging die op de laatste versie van de legger van het waterschap nog niet als zodanig zijn aangewezen. Met betrekking tot dit soort situaties overweegt de rechtbank:

    “Er kunnen zich situaties voordoen dat een aanwijzing in het ruimtelijke spoor heeft plaatsgevonden, maar een aanwijzing in het waterspoor (nog) achterwege is gebleven. In dat geval is er mogelijk al schade opgetreden. Bij het ontbreken van een aanwijzing van de waterberging op de legger is echter (nog) geen sprake van een situatie waarin een belanghebbende met betrekking tot die schade een beroep kan doen op een schadevergoeding als bedoeld in artikel 7.14, eerste lid. In een dergelijk geval biedt afdeling 6.1 van de Wro de grondslag voor een verzoek om een tegemoetkoming in de schade.”.

    De grondeigenaren kunnen derhalve geen aanspraak maken op een vergoeding van eventueel ontstane schade op grond van artikel 7.14 Waterwet. Het college van burgemeester en wethouders heeft zich dan ook ten onrechte op het standpunt gesteld dat de voorrangsregeling van toepassing is en de grondeigenaren zich met een verzoek om schaddevergoeding tot het waterschap moeten wenden.