blog

    Nadeelcompensatie op grond van artikel 17 Boswet

    Publicatiedatum: 19 maart 2015

    Met deze nieuwsbrief brengen wij een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (hierna: “de Afdeling“) van 21 januari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:131) onder de aandacht. In deze uitspraak ligt de vraag voor of aan appellant nadeelcompensatie op grond van artikel 17 Boswet dient te worden toegekend.

    Essentie

    Schade als gevolg van de aanwezigheid van bomen behoort in het algemeen tot het normaal maatschappelijk risico. De Afdeling verwerpt de stelling van appellant dat uit artikel 17 van de Boswet volgt dat in alle gevallen nadeelcompensatie dient te worden verleend. Het uitgangspunt is dat alleen boven het normaal maatschappelijk risico uitstijgende schade die een benadeelde onevenredig treft, wordt vergoed. De Afdeling overweegt dat, anders dan appellant aanvoert, bij de beantwoording van de vraag of appellant voor nadeelcompensatie in aanmerking komt, van belang is wat hij had kunnen weten op het moment dat hij het perceel aankocht en hiervan eigenaar werd. Appellant wordt geacht het risico dat de gemeente geen omgevingsvergunning voor de kap van deze zomereiken zou verstrekken en dat als gevolg daarvan schade zou ontstaan, bij de aankoop te hebben aanvaard.

    Nader bekeken

    Ingevolge artikel 17 van de Boswet kan nadeelcompensatie worden toegekend aan de gebruiker of eigenaar van een houtopstand die ten gevolge van een krachtens provinciale of gemeentelijke verordening genomen besluit schade lijdt, welke redelijkerwijs niet of niet geheel voor zijn rekening behoort te blijven. Appellant heeft aan het college een verzoek gedaan om hem krachtens artikel 17 van de Boswet nadeelcompensatie te verlenen. Appellant stelt dat hij door de weigering van het college om hem een omgevingsvergunning te verlenen voor de kap van 25 zomereiken schade lijdt, bestaande uit: kapitaalkosten van de misgelopen opbrengsten van het kappen van de zomereiken en het optredende verlies, misgelopen pachtopbrengsten en onderhoud- en beheerkosten. Dit verzoek is door het college afgewezen. Het beroep wat appellant vervolgens bij de rechtbank heeft ingesteld, is ongegrond verklaard. Aan de afwijzing van het verzoek om nadeelcompensatie is een advies van de Stichting Advisering Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ) ten grondslag gelegd.

    De SAOZ heeft opgemerkt dat de weigering van het college om een omgevingsvergunning voor de kap van 24 zomereiken aan appellant te verlenen, niet heeft geleid tot nadelen die binnen het stelsel van nadeelcompensatie voor vergoeding in aanmerking komen. Volgens de SAOZ had appellant ten tijde van de aankoop van het perceel grond in 2006 kunnen weten dat, gelet op de bepalingen van de algemene plaatselijke verordening van 2002, de zomereiken niet zonder toestemming van de gemeente mochten worden gekapt.

    Daarnaast stelt appellant dat het in artikel 17 Boswet neergelegde recht op schadevergoeding absoluut is, zodat het college niet gehouden was de Verordening Nadeelcompensatie gemeente Onderbanken 2011 toe te passen. De Afdeling volgt appellant niet in deze stelling. Zowel op grond van artikel 17 Boswet als op grond van de Verordening Nadeelcompensatie gemeente Onderbanken 2011 wordt uitsluitend boven het normaal maatschappelijk risico uitstijgende schade die een benadeelde onevenredig treft, vergoed. De twee nadeelcompensatieregelingen worden derhalve naast elkaar toegepast.

    Appellant stelt verder dat niet van belang is wat hij bij de verkrijging van de eigendom had kunnen weten. Bovendien is dit volgens appellant niet redelijk, nu het eigendom al meer dan een eeuw in handen is van de familie. Er is in dit geval volgens appellant geen sprake van actieve risicoaanvaarding, maar slechts van overdracht aan een nieuwe generatie. De Afdeling overweegt als volgt:

    Anders dan [appellant] aanvoert, is bij de beantwoording van de vraag of hij voor nadeelcompensatie in aanmerking komt, van belang wat hij had kunnen weten op het moment dat hij het perceel aankocht en hiervan eigenaar werd. In navolging van het college is de rechtbank er terecht vanuit gegaan dat [appellant] op het moment dat hij het perceel in 2006 aankocht op basis van de artikelen 4.5.2 en 4.5.3a van de algemene plaatselijke verordening van 2002 had kunnen voorzien dat hij slechts met toestemming van de gemeente tot de kap van de 24 zomereiken mocht overgaan en voorts dat een dergelijke toestemming, gelet op de weigeringsgronden, niet zonder meer zou worden verleend. [appellant] wordt dan ook geacht het risico dat de gemeente geen omgevingsvergunning voor de kap van deze zomereiken zou verstrekken en dat als gevolg daarvan schade zou ontstaan, bij de aankoop van het perceel te hebben aanvaard.

    Wat betreft de onderhoud- en beheerkosten merkt de Afdeling tot slot nog op dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze kosten het gevolg zijn van de weigering van het college om aan appellant een omgevingsvergunning te verlenen. Vanaf het tijdstip dat appellant het perceel in eigendom verkreeg, is hij verantwoordelijk voor het onderhoud en beheer van de zomereiken. In zoverre ontbreekt dan ook het causaal verband.