blog

    Wet Bibob en artikel 6 lid 2 EVRM (criminal charge)

    Franc Pommer
    Franc PommerPublicatiedatum: 19 maart 2015

    Het is al jarenlang een bestendige lijn in de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: “De Afdeling”) dat een besluit op grond van de Wet Bibob niet in strijd is met de onschuldpresumptie uit artikel 6 lid 2 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Volgens dit artikel wordt eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan. Dat dit uitgangspunt op gespannen voet staat met de Wet Bibob komt vooral doordat de weigering of intrekking van een vergunning op grond van deze wet al kan worden gestoeld op een vermoeden van een strafbaar feit, waarmee de “Bibob-betrokkene” in relatie kan worden gebracht. Die relatie bestaat niet alleen als de betrokkene dat strafbare feit zelf (vermoedelijk) heeft begaan, maar ook als een ander dat deed, terwijl deze in een “zakelijk samenwerkingsverband” tot de betrokkene staat. Omdat een Bibob-procedure niet gericht is op het bestraffen van de betrokkenen (“criminal charge”) maar op “herstel in de rechtmatige toestand”, neemt de Afdeling steevast aan dat de betrokkene geen beroep kan doen op artikel 6 lid 2 EVRM. In haar uitspraak van 11 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:331) nuanceert de Afdeling dit uitgangspunt.

    Essentie

    Uit deze uitspraak is als belangrijkste les te trekken dat bestuursorganen de bewoording van hun Bibob-besluiten zorgvuldig moeten kiezen. Een te stellige uiting dat de betrokkene strafbare feiten heeft gepleegd terwijl hij daarvoor niet strafrechtelijk is veroordeeld kan door de bestuursrechter worden afgestraft. Het bestuursorgaan doet er dus verstandig aan om bij dergelijke strafbare feiten te spreken van een “vermoeden”.

    Tegelijkertijd blijft curieus dat het bestuursorgaan ook het vermoeden mag uitspreken ter zake van strafbare feiten waarvoor in het geheel geen strafvervolging is ingesteld, zoals in deze kwestie het geval was bij het witwassen. Omdat hiervoor geen strafrechtelijke vervolging was ingesteld was volgens de Afdeling de onschuldpresumptie niet eens aan de orde. Dat roept de vraag op wat de consequentie zou zijn geweest als het bestuursorgaan zich over dát vergrijp minder genuanceerd zou hebben uitgelaten. Het laatste woord over de relatie tussen de Wet Bibob en artikel 6 lid 2 EVRM lijkt dus (toch) nog niet te zijn gezegd.

    Nader bekeken

    In rechtsoverweging 3.1 en 3.2 overweegt de Afdeling onder verwijzing naar het arrest “Hrdalo tegen Kroatië” van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), dat artikel 6 lid 2 EVRM zich kan uitstrekken tot een bestuursrechtelijke procedure, als de geschilpunten in die procedure voortvloeien uit en samenhangen met een strafrechtelijke procedure. Het hangt daarbij af van de in de bestuursrechtelijke procedure gebruikte bewoordingen of een zodanige band bestaat dat artikel 6 lid 2 EVRM ook in de bestuursrechtelijke procedure van toepassing is. In de aan de orde zijnde kwestie heeft het bestuursorgaan een horecavergunning geweigerd op enerzijds een vermoeden dat de exploitante in relatie staat tot strafbare feiten en die strafbare feiten zelf heeft gepleegd (witwassen) en anderzijds de stelling dat zij structureel strafbare feiten heeft gepleegd op grond van de Opiumwet. De exploitante was ten tijde van de besluitvorming gedagvaard voor een overtreding van de Opiumwet. In zoverre was, aldus de Afdeling, sprake van een verband tussen de weigering van de horecavergunning en de lopende strafzaak. Om deze reden was de onschuldpresumptie volgens de Afdeling in deze zaak van toepassing.

    Vervolgens constateert de Afdeling in rechtsoverweging 3.3 dat sprake is van schending van de onschuldpresumptie als een rechterlijke beslissing of uiting van een ambtenaar een oordeel bevat over de schuld van iemand die is aangeklaagd wegens een strafbaar feit, vóórdat die schuld in de strafzaak is komen vast te staan. Het enkel uitspreken van een vermoeden dat iemand schuldig is aan het strafbare feit waarvoor hij is aangeklaagd, levert volgens de Afdeling geen schending van de onschuldpresumptie op. In het licht van deze overweging stelt de Afdeling in voorliggende kwestie vast dat aan de weigering van de horecavergunning ten grondslag is gelegd dat de exploitante volgens de adviezen van het Landelijk Bureau Bibob structureel strafbare feiten heeft gepleegd. Omdat ten tijde van de besluitvorming tegen de exploitante wel een strafzaak aanhangig was, maar zij daarin (nog) niet was veroordeeld voor het overtreden van de Opiumwet, kon het bestuursorgaan volgens de Afdeling niet zonder voorbehoud stellen dat de exploitante structureel strafbare feiten had gepleegd. Door dat wel te doen handelde het bestuursorgaan volgens de Afdeling in strijd met de onschuldpresumptie uit artikel 6 lid 2 EVRM.

    Aan de weigering van de horecavergunning was tevens een vermoeden van witwassen ten grondslag gelegd. Omdat hiervoor geen strafrechtelijke procedure aanhangig was oordeelt de Afdeling dat reeds hierom de onschuldpresumptie niet van toepassing is op het vermeende witwassen en dat het bestuursorgaan daarmee ook niet in strijd heeft gehandeld door het vermeende witwassen aan zijn besluit ten grondslag te leggen.

    Uiteindelijk loopt het besluitgebrek voor het bestuursorgaan met een sisser af. De Afdeling laat de rechtsgevolgen van de horecavergunning in stand omdat inmiddels vast was komen te staan dat de exploitante in de strafrechtelijke procedure onherroepelijk was veroordeeld voor de overtreding van de Opiumwet die aan het besluit ten grondslag lag.