blog

    Verklaring van geen bedenkingen

    Tycho Lam
    Tycho LamPublicatiedatum: 19 april 2016

    Op 6 april 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:921) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: “de Afdeling“) een uitspraak gedaan over de verklaring van geen bedenkingen (hierna: “vvgb“) als bedoeld in art. 2.27 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: “Wabo“).

    Essentie

    In het geval een omgevingsvergunning voor het afwijken van een bestemmingsplan is aangevraagd en het college van burgemeester en wethouders (hierna: “het college“) voornemens is de gevraagde omgevingsvergunning wegens strijd met het bestemmingsplan te weigeren, is het college gehouden toch eerst een vvgb aan de gemeenteraad te vragen.

    Nader bekeken

    Het college heeft geweigerd een omgevingsvergunning te verlenen voor het legaliseren van een chalet/bedrijfswoning op een perceel, dat als woning in gebruik is. Het college heeft een last onder dwangsom opgelegd om het chalet te verwijderen en het gebruik daarvan te staken. Het college was bevoegd de aanvraag te beoordelen aan de hand van art. 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3, van de Wabo, zodat, gelet op de art. 3.10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo de uitgebreide voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing was. De reguliere voorbereidingsprocedure was dus niet van toepassing en de omgevingsvergunning is niet van rechtswege verleend.  Appellant betoogt dat het college gehouden was een vvgb van de gemeenteraad te vragen en de omgevingsvergunning om deze niet reden niet zonder meer had mogen weigeren.

    Op grond van art. 2.27, eerste lid, van de Wabo en art. 6.5, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (hierna: “Bor“) moet de gemeenteraad een vvgb verlenen, wanneer er sprake is van een omgevingsvergunning waarbij wordt afgeweken van een bestemmingsplan of beheersverordening als bedoeld in art. 2.1, eerste lid, onder c en art. 2.12, eerste lid, onder a, onder 3, van de Wabo. Het college mag een dergelijke omgevingsvergunning dus niet verlenen, voordat de gemeenteraad een vvgb heeft afgegeven. In art. 2.20a van de Wabo is geregeld dat wanneer een vvgb wordt geweigerd de omgevingsvergunning, voor zover er een vvgb vereist is, moet worden geweigerd.

    De Afdeling onderschrijft het standpunt van appellant en oordeelt dat het college gehouden was een vvgb aan de gemeenteraad te vragen, ondanks het feit dat het college voornemens was de gevraagde omgevingsvergunning wegens strijd met het bestemmingsplan te weigeren. De Afdeling gaat allereerst in op de wetsgeschiedenis en geeft aan dat het in enkele gevallen, gelet op de verdeling van bestuurlijke verantwoordelijkheden of de benodigde specialistische kennis, wenselijk is dat de beslissing omtrent een of meer specifieke aspecten aan een ander bestuursorgaan wordt overgelaten. Dit doet zich onder andere voor bij afwijkingen buiten het door de gemeenteraad vastgestelde bestemmingsplan (of vastgestelde beheersverordening). Het zou de bevoegdheid van de gemeenteraad kunnen ondergraven wanneer de afweging omtrent de buitenplanse afwijking door een ander orgaan dan de gemeenteraad wordt gemaakt. Verder wordt in de wetsgeschiedenis aangegeven dat de vvgb niet zozeer een goedkeuringsinstrument is, maar er toe dient een ander bestuursorgaan te laten beslissen omtrent een aspect van de vergunning dat aan de beoordeling van het bevoegde gezag is onttrokken.

    Verder overweegt de Afdeling dat uit de letterlijke tekst van art. 2.27, eerste lid, van de Wabo gelezen in samenhang met art. 6.5, eerste lid, van het Bor waarin de zinsnede “verlenen van een omgevingsvergunning” wordt gebruikt, niet volgt dat een vvgb aan de raad moet worden gevraagd, wanneer het college voornemens is de omgevingsvergunning wegens strijd met het bestemmingsplan te weigeren. Dit volgt volgens de Afdeling wél uit het stelsel van de Wabo en de geschiedenis van de totstandkoming daarvan. Het samenstel van art. 2.27, eerste lid, 2.20a, 3.11, eerste lid, van de Wabo en art. 6.5, eerste lid, van het Bor brengt dit onder andere met zich. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat het niet past wanneer het college zelf bepaalt of het een vvgb aan de gemeenteraad vraagt. Door dat wel te doen, onttrekt het namelijk feitelijk en inhoudelijk de beslissing over de aanvraag aan de gemeenteraad.

    De Afdeling geeft expliciet aan dat de het college een omgevingsvergunning wel kan weigeren zonder een vvgb te hebben gevraagd in de gevallen dat de weigeringsgrond gebaseerd is op een andere weigeringsgrond dan de weigeringsgrond waarop de vvgb ziet. Ook indien de raad op grond van art. 6.5, derde lid, van het Bor categorieën van gevallen heeft aangewezen waarin een vvgb niet is vereist, kan het college een omgevingsvergunning weigeren zonder eerst de gemeenteraad om een vvgb te vragen. Deze twee situaties zijn hier echter niet aan de orde. Ondanks het feit dat de Afdeling het betoog van appellant volgt, passeert de Afdeling het gebrek met toepassing van art. 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht. Het bestemmingsplan is inmiddels gewijzigd vastgesteld ten opzicht van het ontwerp en het chalet is nog steeds in strijd met de bestemming van het perceel. Bovendien is het standpunt van de gemeenteraad inmiddels bekend en komt deze overeen met het besluit van het college strekkende tot weigering van de omgevingsvergunning voor legalisering van het chalet. De Afdeling overweegt dat het niet vragen van een vvgb aan de gemeenteraad appellant niet heeft benadeeld.