blog

    Is er sprake van pacht binnen een vennootschap onder firma?

    Publicatiedatum: 20 juli 2015

    Met deze nieuwsbrief maken wij je attent op het arrest van de pachtkamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: “het hof“) van 7 juli 2015 (ECLI:NL:GHARL:2015:5127). In deze zaak komt de vraag aan de orde of er sprake is van een pachtovereenkomst tussen de vennoten van een vennootschap onder firma.

    Essentie

    Een akte van vennootschap onder firma kan onder omstandigheden tevens worden aangemerkt als een pachtovereenkomst. Dat is het geval als, gelet op hetgeen partijen ten tijde van het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond, de inhoud en strekking van de overeenkomst van dien aard zijn dat dat deze in zijn geheel beschouwd als een pachtovereenkomst kan worden aangemerkt.

    Nader bekeken

    De vennootschap onder firma (hierna: “de VOF“) exploiteert een pluimveebedrijf. De VOF heeft drie vennoten (hierna aangeduid als vennoot A, B en C). In de VOF zijn bedrijfsruimtes en gronden ingebracht die worden gebruikt voor de exploitatie van het pluimveebedrijf. De onroerende zaken waar de VOF gebruik van maakt, zijn door vennoot A en zijn echtgenote vennoot B ingebracht in de VOF.

    Nadat door de Rabobank een verzoekschrift is ingediend om vennoot A in staat van faillissement te verklaren, sturen de vennoten de akte van vennootschap onder firma in naar de grondkamer. Zij stellen dat de akte als een pachtovereenkomst kwalificeert en verzoeken de grondkamer deze goed te keuren. Het pluimveebedrijf wordt daarna via een executoriale verkoop door de Rabobank verkocht. Vennoot A dient daarna zelf een verzoek in om hem surseance van betaling te verlenen. In vervolg daarop treedt vennoot A uit de VOF, waarna de VOF wordt voorgezet door de vennoten B en C. Uiteindelijk wordt A failliet verklaard.

    Vennoten B en C wensen het gebruik van het pluimveebedrijf voort te zetten. De pachtovereenkomst wordt door de grondkamer goedgekeurd. De nieuwe eigenaar van het bedrijf weigert echter de vennoten het gebruik van de opstallen en gronden te verschaffen. Om het gebruik af te dwingen, vorderen vennoten B en C een verklaring voor recht dat er sprake is van een pachtovereenkomst en de terbeschikkingstelling van het gepachte.

    De pachtkamer van de rechtbank oordeelt in eerste aanleg dat er geen sprake is van een pachtovereenkomst, onder meer omdat partijen oorspronkelijk een onbepaalde duur en geen vaste tegenprestatie waren overeengekomen als ook de omstandigheid dat de vennoten mede aan zichzelf zouden verpachten. Het hof acht deze omstandigheden niet beslissend, deze zijn niet onverenigbaar met het bestaan van een pachtovereenkomst.

    In hoger beroep betogen vennoten B en C dat aan alle elementen van artikel 7:311 BW is voldaan en derhalve sprake is van een pachtovereenkomst. Volgens het hof gaan vennoten B en C daarbij terecht ervan uit dat de omstandigheid dat tussen de vennoten een vennootschap onder firma bestaat, niet uitsluit dat tevens sprake kan zijn van pacht en dat op grond daarvan de wettelijke regeling van de pacht toepassing dient te vinden. Het hof overweegt:

    “Dat aan alle elementen van de definitie van artikel 7:311 BW is voldaan, is echter niet steeds beslissend, omdat het uiteindelijk erop aankomt of in de gegeven omstandigheden, gelet op hetgeen partijen ten tijde van het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond, de inhoud en strekking van de overeenkomst van dien aard zijn dat deze in zijn geheel beschouwd als een pachtovereenkomst kan worden aangemerkt.”

    Het hof stelt vast dat vennoten A en B het gebruik en genot hebben ingebracht van de desbetreffende gronden. De VOF is vrijwel geheel voor rekening van vennoten A en B geëxploiteerd. Vennoot C trad in feite vooral op als financier. Vennoot C zou slechts in betere jaren maximaal enkele procenten in de winst meedelen.

    Het hof overweegt dat niet is vol te houden dat de inhoud en strekking van de overeenkomst van dien aard zijn dat deze in zijn geheel beschouwd als een pachtovereenkomst kan worden aangemerkt. De exploitatie vond feitelijk uitsluitend plaats voor rekening van de vennoten van wie de inbreng afkomstig was. Terbeschikkingstelling en gebruik zijn aldus het hof volledig in dezelfde hand, geheel anders dan waarvan artikel 7:311 BW uitgaat en dan past bij de aard van de regels met betrekking tot pacht. Van een pachtovereenkomst is dus geen sprake.