blog

    Bewijs verbeurte dwangsom

    Merel Copier
    Merel CopierPublicatiedatum: 22 juni 2016

    In de uitspraak van 8 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1594) van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: “de Afdeling”) gaat het om de vraag of verklaringen van derden aan een invorderingsbeschikking ten grondslag kunnen worden gelegd als bewijs dat dwangsommen zijn verbeurd.

    Essentie

    Aan een invorderingsbeschikking moet een deugdelijke en controleerbare vaststelling van de feiten ten grondslag liggen. Daarvan kan onder omstandigheden sprake zijn indien de toezichthouder van de gemeente zich mede baseert op verklaringen van derden.

    Nader bekeken

    Appellant is eigenaar van een aantal woningen, waaronder gemeentelijke monumenten. Vanwege de slechte staat van onderhoud van deze woningen heeft het college van burgemeester en wethouders (hierna: “burgemeester en wethouders”) aan appellant een last onder dwangsom opgelegd vanwege diverse overtredingen van het Bouwbesluit 2012 en de Monumentenwet 1988. Burgemeester en wethouders hebben bij beschikking tevens besloten tot invordering van de door appellant verbeurde dwangsommen vanwege het niet (geheel) nakomen van de opgelegde last onder dwangsom. De laatste beschikking betreft een invorderingsbeschikking in de zin van artikel 5:37 van de Algemene wet bestuursrecht.

    Burgemeester en wethouders hebben aan de invorderingsbeschikking een constateringsrapport ten grondslag gelegd. Dit rapport is door een toezichthouder van de gemeente naar aanleiding van een controle van de woningen opgesteld. Wat betreft een aantal van de opgelegde lasten die betrekking hebben op één van de woningen is in het rapport vermeld dat deze woning leeg staat en dat bewoners van de naastgelegen panden hebben verklaard dat daaraan het laatste jaar geen werkzaamheden hebben plaatsgevonden. Met betrekking tot enkele andere van de opgelegde lasten is gerapporteerd dat de bewoners van de betreffende woningen hebben verklaard dat de lasten niet zijn uitgevoerd.

    Appellant stelt zich ten aanzien van de invorderingsbeschikking (onder meer) op het standpunt dat de toezichthouder van de gemeente zich ten onrechte heeft gebaseerd op mededelingen van derden, die in deze procedure geen partij zijn. Dit betoog faalt en de Afdeling oordeelt als volgt:

    “Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in bijvoorbeeld de uitspraak van 10 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:306, moet aan een invorderingsbeschikking een deugdelijke en

    controleerbare vaststelling van de feiten ten grondslag liggen. Dat de toezichthouder van de gemeente zich mede heeft gebaseerd op verklaringen van derden, maakt in dit geval niet dat geoordeeld moet worden dat aan dat vereiste niet is voldaan. Daarbij is van belang dat de verklaringen wat betreft de lasten 6, 7, 8, 9, 13 en 14 afkomstig zijn van de bewoners van de woningen waarop deze lasten betrekking hebben en verondersteld mag worden dat zij van herstel- of onderhoudswerkzaamheden aan de door hen bewoonde woningen op de hoogte zouden zijn geweest. Voorts hebben deze bewoners er geen enkel belang bij om onjuiste verklaringen af te leggen. Bovendien volgt uit de omstandigheid dat [appellant] geen overleg heeft gevoerd over de wijze waarop hij aan de lasten uitvoering zou willen geven, zoals hem dat in het besluit van 16 juli 2014 is verzocht, en ook anderszins geen bereidheid heeft getoond daaraan uitvoering te zullen geven, dat de toezichthouder van de gemeente geen aanleiding had om aan de verklaringen te twijfelen. Onder deze omstandigheden wordt in het feit dat de toezichthouder zich wat betreft de lasten 4 en 5, die betrekking hebben op de woning aan [locatie 3], heeft gebaseerd op verklaringen van de bewoners van de naastgelegen woningen evenmin grond gevonden voor het oordeel dat de invorderingsbeschikking niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Daarbij wordt voorts in aanmerking genomen dat het college onweersproken heeft gesteld dat het voor de toezichthouder niet mogelijk was zelf te onderzoeken of aan bedoelde lasten was voldaan, nu de woning niet was bewoond en hem geen toegang tot de woning is verschaft.”.

    In deze uitspraak overweegt de Afdeling in lijn met eerdere (standaard)jurisprudentie dat aan een invorderingsbeschikking een deugdelijke en controleerbare feitenvaststelling ten grondslag moet liggen. Veelal voegt de Afdeling hieraan toe dat dit met zich brengt dat de waarneming van feiten en omstandigheden die leiden tot verbeurte van een dwangsom dient te worden gedaan door een ter zake deskundige medewerker van het bevoegd gezag en dat bevindingen op schrift worden gesteld. Bovendien dient het geschrift in beginsel ten minste de plaats, het tijdstip en de datum van de waarneming, een inzichtelijke beschrijving van de gehanteerde werkwijze en een inzichtelijke beschrijving van hetgeen is waargenomen, te bevatten. Ook dient het geschrift te zijn voorzien van een ondertekening door de opsteller en een dagtekening (zie bijvoorbeeld AbRS 25 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX2610).

    In de uitspraak van 27 augustus 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3239) heeft de Afdeling het voorgaande genuanceerd, in die zin dat het niet voldoen aan deze vereisten niet in alle gevallen betekent dat een deugdelijke en controleerbare vaststelling ontbreekt. Ook op basis van ander bewijsmateriaal, zoals foto’s, kan volgens de Afdeling een deugdelijke en controleerbare vaststelling van de relevante feiten en omstandigheden plaatsvinden. Deze nuancering laat volgens de Afdeling onverlet dat de waarneming van feiten en omstandigheden die leiden tot verbeurte van een dwangsom dient te worden gedaan door een ter zake deskundige medewerker van het bevoegd gezag (zie AbRS 24 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:469). Het is tegen deze achtergrond bezien dus interessant dat de Afdeling in deze uitspraak oordeelt dat ook op basis van verklaringen van derden onder omstandigheden een deugdelijke en controleerbare vaststelling van de relevante feiten kan plaatsvinden.