blog

    Ladder duurzame verstedelijking - functiewijziging

    Luuk Gerritsen
    Luuk GerritsenPublicatiedatum: 24 april 2015

    Op 22 april 2015 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: “de Afdeling”) een uitspraak gedaan over de toepasselijkheid van de ladder duurzame verstedelijking als bedoeld in artikel 3.1.6 lid 2 Besluit ruimtelijke ordening (hierna: “het Bro”). Hierin komt opnieuw het begrip ‘stedelijke ontwikkeling’ in relatie tot het aspect functiewijziging aan de orde (ECLI:NL:RVS:2015:1224).

    Essentie

    Het bestemmingsplan maakt (tevens) het gebruik als tuincentrum mogelijk (deels bij recht, deels door middel van een afwijkingsbevoegdheid), op een locatie waar op grond van het vorige plan het gebruik als bouwmarkt al was toegestaan (eveneens deels bij recht, deels door middel van een afwijkingsbevoegdheid). De Afdeling overweegt dat het plan niet voorziet in een zodanige functiewijziging dat om die reden sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De Afdeling acht hierbij van belang dat geen nieuw beslag op de ruimte plaatsvindt, omdat een tuincentrum uitsluitend mogelijk kan worden gemaakt in bebouwing die reeds mogelijk was of kon worden gemaakt ten behoeve van een bouwmarkt.

    Nader bekeken

    Aan de orde is een bestemmingsplan dat voorziet in de realisatie van een Hornbach-vestiging. Het bestemmingsplan maakt, evenals het voorgaande bestemmingsplan, op een deel van de gronden bij recht een bouwmarkt mogelijk en op de overige gronden door middel van een afwijkingsbevoegdheid. Nieuw ten opzichte van het voorgaande bestemmingsplan, is dat het bestemmingsplan voorziet in de mogelijkheid de gronden (tevens) te gebruiken als tuincentrum (gelijk als voor de bouwmarkt, deels bij recht en deels door middel van een afwijkingsbevoegdheid). Appellant voert onder andere aan dat gelet hierop sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, die in strijd met artikel 3.1.6 lid 2 Bro niet is beoordeeld aan de pagina 2 hand van de in dit artikel neergelegde ladder duurzame verstedelijking. De Afdeling deelt dit standpunt niet. Zij oordeelt dat het plan met de mogelijkheid de gronden te gebruiken ten behoeve van een tuincentrum niet voorziet in een zodanige functiewijziging dat om die reden sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De Afdeling acht hierbij van belang dat geen nieuw beslag op de ruimte plaatsvindt, omdat een tuincentrum uitsluitend mogelijk kan worden gemaakt in bebouwing die reeds mogelijk was of kon worden gemaakt ten behoeve van een bouwmarkt, onder dezelfde voorwaarden.

    Vooral de motivering dat geen nieuw beslag op de ruimte plaatsvindt, is interessant. Uit de overwegingen van de Afdeling lijkt te volgen dat hierbij niet relevant is dat de bebouwing feitelijk (nog) niet aanwezig is, zo lang de bebouwing op grond van het voorgaande bestemmingsplan maar kon worden gerealiseerd. Dit zou een aanzienlijke verruiming van de jurisprudentie van de Afdeling ten aanzien van de functiewijziging in het kader van de ladder duurzame verstedelijking betekenen. Op basis hiervan zou vaker gesteld kunnen worden dat geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, en om die reden de verantwoordingsplicht in het kader van de ladder duurzame verstedelijking niet van toepassing is.

    De relevante rechtsoverweging luidt als volgt

    “6.2.3. De vergroting van het vlak waar bij recht een bouwmarkt is toegestaan – de gronden met de aanduiding “dhp” – is ten opzichte van het vorige plan, zoals hiervoor reeds overwogen, marginaal. De Afdeling ziet in zoverre geen aanleiding voor het oordeel dat het plan met deze vergroting in een nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet.

    Wat betreft de afwijkingsbevoegdheid, is van belang dat op deze gronden ingevolge het vorige plan door middel van een vrijstelling reeds een bouwmarkt kon worden toegestaan. Nu aan de afwijkingsbevoegdheid vergelijkbare voorwaarden zijn verbonden, behelst het plan in zoverre dezelfde gebruiksmogelijkheden.

    Wat betreft de mogelijkheid van een tuincentrum – net zoals de bouwmarkt deels bij recht een deels bij afwijkingsbevoegdheid – oordeelt de Afdeling dat het plan hiermee niet voorziet in een zodanige functiewijziging dat om die reden sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De Afdeling acht hierbij van belang dat geen nieuw beslag op de ruimte plaatsvindt, omdat een tuincentrum uitsluitend mogelijk kan worden gemaakt in bebouwing die reeds mogelijk was of kon worden gemaakt ten behoeve van een bouwmarkt, onder dezelfde voorwaarden. Gelet daarop heeft de raad geen toepassing hoeven geven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. Het betoog faalt.”