blog

    Bijlage II bij het Bor

    Tycho Lam
    Tycho LamPublicatiedatum: 25 april 2016

    In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: “de Afdeling“) van 13 april 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:990) wordt ingegaan op twee interessante onderdelen van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (hierna: “Bor“).

    Essentie

    Wij stippen twee aspecten uit de uitspraak aan.

    1. Ook wanneer een tuinmuur niet is bedoeld om twee afzonderlijke erven van elkaar te scheiden, kan deze worden aangemerkt als erfafscheiding als bedoeld in art. 2, aanhef en onder 12, van bijlage II bij het Bor.
    2. Het perceelgedeelte dat op grond van het bestemmingsplan de bestemming “Agrarisch met waarden – Landschapswaarden” met de gebiedsaanduidingen “Historisch landschappelijk gebied”, “Archeologische verwachtingswaarde 2” en “Leefgebied van dassen” heeft, kan niet worden aangemerkt als erf en dus ook niet als achtererfgebied als bedoeld in art. 1, eerste lid, van bijlage II bij het Bor, vanwege de aanwezige landschaps-, natuur- en archeologische waarden.

    Nader bekeken

    Het college van burgemeester en wethouders (hierna: “college“) heeft een verzoek om handhavend op te treden tegen het ophogen en verharden van een deel van het perceel, het verbouwen en het gebruik van de schuur/berging op het perceel, een tuinmuur en het zonder vergunning bouwen van een overkapping voor houtopslag en twee bergingen.

    Appellante betoogt dat voor de bergingen en overkapping een omgevingsvergunning is vereist als bedoeld in art. 2.1, eerste lid, onder a en c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: “Wabo“) , omdat deze bouwwerken niet in het achtererfgebied staan.

    Op het gedeelte van het perceel waarop de tuinmuur, de overkapping en de bergingen zijn gelegen, rust ingevolge het ten tijde van belang voor het perceel geldende bestemmingsplan, de bestemming “Agrarisch met waarden – Landschapswaarden”, met de gebiedsaanduiding “Historisch landschappelijk gebied”, “Archeologische verwachtingswaarde 2” en “Leefgebied van dassen”.

    De Afdeling oordeelt dat de overkapping en bergingen zich niet in het achtererfgebied als bedoeld in art. 2, aanhef en onder 3, gelezen in samenhang met art. 1, eerste lid, van bijlage II bij het Bor bevinden. Onder verwijzing naar de uitspraak van 10 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:228) overweegt de Afdeling het volgende:

    De genoemde bouwwerken zijn weliswaar voorzien op een gedeelte van het perceel dat direct bij het hoofdgebouw is gelegen en feitelijk is ingericht ten dienste van het gebruik van de woning, maar dit perceelgedeelte is ingevolge het bestemmingsplan mede aangeduid als grond voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de aanwezige landschaps-, natuur-en archeologische waarden. Met het oog daarop is een aanlegvergunningvereiste in het bestemmingsplan opgenomen.

    Het perceelgedeelte waarop de overkapping voor houtopslag en de bergingen 1 en 2 zijn gebouwd, kan daarom in dit geval niet worden aangemerkt als “erf” als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van bijlage II bij het Bor, vanwege de landschappelijke, natuurlijke en archeologische waarden die daaraan zijn toegekend. Derhalve is evenmin sprake van “achtererfgebied” als bedoeld in die bepaling. De overkapping voor houtopslag en de bergingen 1 en 2 konden derhalve niet als op de grond staande bijbehorende bouwwerken in achtererfgebied vergunningvrij worden opgericht.

    Appellante betoogt verder dat voor de tuinmuur op het perceel ook een omgevingsvergunning als bedoeld in art. 2.1, eerste lid, onder a en c van de Wabo is vereist. De tuinmuur is volgens haar onder andere ten onrechte aangemerkt als een erfafscheiding, bevindt zich niet op het achtererfgebied en bovendien is een onjuiste wettelijke bepaling toegepast.

    De Afdeling oordeelt dat de op het perceel aanwezige tuinmuur zonder omgevingsvergunning kon worden opgericht. Het per abuis noemen van art. 12, twaalfde lid, van bijlage II bij het Bor, waar art. 2, aanhef en onder 12, van bijlage II bij het Bor is bedoeld, merkt de Afdeling aan als een kennelijke verschrijving, aangezien wel de juiste bepaling is toegepast. Voor het overige ten aanzien van de tuinmuur oordeelt de Afdeling als volgt:

    De rechtbank heeft verder terecht geoordeeld dat de tuinmuur kan worden aangemerkt als een erfafscheiding als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder 12, van Bijlage II, ook nu deze niet is bedoeld om de afzonderlijke erven van [appellante] en haar buren van elkaar te scheiden. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 maart 2009, in zaak nr. 200804941/1), behoeft een erfafscheiding niet te zijn gelegen op een grens tussen twee afzonderlijke erven, maar kan een erfafscheiding ook dienen om gedeelten van één perceel, in dit geval het perceel [locatie A], van elkaar af te scheiden. Weliswaar is in de genoemde uitspraak van 11 maart 2009 op dit punt betekenis gegeven aan het destijds nog geldende

    artikel 2, aanhef en onder e, van het Bblb, maar er bestaat geen aanleiding hierover thans anders te oordelen.

    Anders dan voor de hiervoor onder 5.2 besproken bijbehorende bouwwerken, geldt volgens artikel 2, aanhef en onder 12, van Bijlage II, wat de tuinmuur betreft niet het vereiste dat deze, om vergunningvrij te mogen worden opgericht, in achtererfgebied als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van Bijlage II moet zijn geplaatst.

    In de Nota van Toelichting bij het Bor (Staatsblad 2010, 143, blz. 150) wordt verder vermeld dat evenmin is bedoeld dat feitelijk alleen de afscheiding van een als ‘erf’ als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van Bijlage II aan te merken perceelgedeelte is toegestaan. Dat daarvan zoals hiervoor onder 5.2 is overwogen, ter plaatse van de tuinmuur geen sprake is, staat er dan ook niet aan in de weg dat voor de tuinmuur geen omgevingsvergunning is vereist.