blog

    Verhouding proactieve aanwijzing - omgevingsverordening

    Tycho Lam
    Tycho LamPublicatiedatum: 25 september 2015

    Mogen gedeputeerde staten een proactieve aanwijzing geven in afwijking van de provinciale ruimtelijke verordening? Deze vraag komt aan de orde in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 september 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2927).

    Essentie

    Het geven van een proactieve aanwijzing in afwijking van de provinciale ruimtelijke verordening is in strijd met het wettelijk systeem van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: “Wro”).

    Nader bekeken

    In de provinciale ruimtelijke verordening van Noord-Brabant (hierna: “omgevingsverordening”) is geregeld waar en onder welke voorwaarden windturbines mogen worden opgericht. In de structuurvisie is in algemene zin beschreven dat de provincie de ontwikkeling van windenergie onder voorwaarden steunt. Onder verwijzing naar het provinciale belang dat aan de structuurvisie wordt ontleend, hebben gedeputeerde staten een proactieve aanwijzing gegeven tot het vaststellen van een bestemmingsplan dat de bouw van windturbines mogelijk maakt op een locatie die niet in een zoekgebied als bedoeld in de omgevingsverordening ligt.

    Appellanten komen op tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan en de gecoördineerd (artikel 3.30 Wro) verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van de windturbines. Zij betogen dat deze constructie in strijd is met het stelsel van de Wro: voor het afwijken van een bepaling uit de omgevingsverordening is in artikel 4.1a Wro de ontheffingsbevoegdheid voor gedeputeerde staten opgenomen.

    In de omgevingsverordening is een bepaling opgenomen waarvan de strekking is dat, als er tegenstrijdigheid is tussen de voorschriften omtrent de inhoud van een bestemmingsplan behorende bij een proactieve aanwijzing (artikel 4.2 Wro) en de algemene voorschriften van de omgevingsverordening, de proactieve aanwijzing prevaleert.

    De Afdeling oordeelt dat het geven van een proactieve aanwijzing in afwijking van de omgevingsverordening in strijd is met het wettelijk systeem van de Wro. De hierboven genoemde voorrangsbepaling moet wegens strijd met het wettelijk systeem buiten toepassing worden gelaten. Dit heeft tot gevolg dat het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan wegens strijd met de omgevingsverordening wordt vernietigd. De omgevingsvergunning deelt dat lot.

    De desbetreffende rechtsoverweging luidt als volgt:

    Naar het oordeel van de Afdeling past het niet in het wettelijke stelsel van de Wro en bij de daarin neergelegde taakverdeling tussen provinciale staten en het college dat het college zonder specifieke grondslag onder verwijzing naar dergelijk algemeen geformuleerd provinciaal beleid, in een bepaald geval afwijkt van een uitdrukkelijke, specifieke bepaling als artikel 32, eerste lid, van de Verordening.

    7.5. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting kan niet met zekerheid worden vastgesteld of het college zich bij het nemen van het bestreden besluit heeft gebaseerd op artikel 36.6 van de Verordening. Voor zover het college zich op die bepaling heeft gebaseerd, overweegt de Afdeling het volgende.

    De Afdeling leidt uit de toelichting bij artikel 36.6 van de Verordening af dat met deze bepaling niet alleen is beoogd een voorrangsregeling te treffen voor gevallen waarin een aanwijzing van het college en de bepalingen van de Verordening niet met elkaar in overeenstemming zijn. Uit de toelichting blijkt dat met deze bepaling tevens is beoogd een grondslag te bieden voor het geven van een proactieve aanwijzing door het college in afwijking van de Verordening. Dit blijkt onder meer uit het feit dat in de toelichting voorwaarden zijn opgenomen voor het geven van een proactieve aanwijzing in afwijking van de Verordening, zoals de aanwezigheid van een maatschappelijke meerwaarde. Volgens de toelichting komen alleen initiatieven die aan deze voorwaarden voldoen in aanmerking voor de hiervoor bedoelde toepassing van de proactieve aanwijzing.

    Het geven van een proactieve aanwijzing in afwijking van de Verordening heeft hiermee een grondslag gekregen in de Verordening. Zoals hierboven echter is overwogen, is een dergelijk gebruik van de proactieve aanwijzing in strijd met het wettelij systeem van de Wro. Artikel 36.6 van de Verordening moet daarom wegens strijd met het wettelijk systeem van de Wro buiten toepassing worden gelaten. Het college kon het bestreden besluit derhalve niet op die bepaling baseren. Dit betekent tevens dat de proactieve aanwijzing van het college de strijdigheid van de voorgenomen ontwikkeling met artikel 32, eerste lid, van de Verordening niet heeft weggenomen.“.