blog

    Veranderingen zorg per 1 januari 2015 – WMO 2015

    Marieke Thijssen
    Marieke ThijssenPublicatiedatum: 26 januari 2015

    Sinds 1 januari 2015 is de zorg anders georganiseerd. Zo is de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten vervallen. De zorg die onder de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten viel, is ondergebracht in de Wet langdurige zorg, de Zorgverzekeringswet, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Jeugdwet. Daarnaast is de Participatiewet in werking getreden. In deze nieuwsbrief gaan wij nader in op de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

    Wetswijzigingen

    De Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) was bedoeld voor onverzekerde ziekterisico’s. Vanaf 1 januari 2015 zijn de lichtere vormen van zorg en ondersteuning uit de AWBZ overgegaan naar de Wet Maatschappelijke Ondersteuning 2015 (WMO) en de Zorgverzekeringswet (Zvw). Voor de zwaardere, langdurige zorg geldt voortaan de Wet langdurige zorg (Wlz).

    Doelen WMO

    De WMO regelt de ondersteuning op het gebied van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen en opvang. Met de WMO wordt beoogd:

    • Door decentralisatie de gemeenten breed verantwoordelijk te maken voor het bieden van ondersteuning aan mensen met beperkingen;
    • De betrokkenheid van mensen bij elkaar te vergroten en mensen in eerste instantie zelf te laten voorzien in hulp;
    • De (rijks)financiën op orde te houden1.

    Maatschappelijke ondersteuning

    Bij maatschappelijke ondersteuning kan aan de volgende voorzieningen worden gedacht:

    • Individuele begeleiding aan huis, huishoudelijke hulp, woningaanpassing (traplift), hulpmiddelen (rolstoel);
    • Vervoersvoorzieningen;
    • Maatschappelijke opvang (dak- en thuislozenopvang, opvang in geval van huiselijk geweld);
    • Dagbesteding voor ouderen en mensen met een beperking;
    • Begeleid en beschermd wonen.

    Ten opzichte van de WMO 2007 is in de WMO 2015 ook aandacht besteed aan het aspect ‘veiligheid’. Het gaat hier om veiligheid in de zin van ‘vrij zijn’ van het risico op geweld uit huiselijke kring2.

    Taak gemeente

    De gemeente wordt verantwoordelijk voor de maatschappelijke ondersteuning van mensen en de kwaliteit en continuïteit van voorzieningen (artikel 2.1.1 WMO).

    Beleidsplan en verordening

    De gemeente stelt een beleidsplan vast, waarin zij beschrijft hoe zij het beleid op het gebied van de maatschappelijke ondersteuning wil vormgeven (artikel 2.1.2 WMO). De wet bepaalt wel welke onderwerpen in het plan moeten worden uitgewerkt, maar binnen deze wettelijke kaders beschikt de gemeente over een grote mate van beleidsvrijheid. Vervolgens dient een gemeentelijke verordening te worden vastgesteld, waarin het beleid wordt vertaald in concrete regels (artikel 2.1.3 WMO). Omdat het de bedoeling is dat maatwerk wordt geleverd, is het niet wenselijk dat in detail wordt vastgelegd hoe de gemeente in concrete situaties zal handelen. De gemeente draagt zorg voor de maatschappelijke ondersteuning door enerzijds algemene maatregelen en voorzieningen te treffen (artikel 2.2.1 WMO) en anderzijds maatwerk te leveren met behulp van maatwerkvoorzieningen (artikel 2.3.1 WMO). Alleen voor de (aanvraag van) maatwerkvoorzieningen geldt de bestuursrechtelijke procedure.

    Kwaliteit

    Gemeenten hebben de resultaatsverplichting om beleid te maken ter ondersteuning van mensen die niet volledig zelf kunnen voorzien in hun zelfredzaamheid en participatie of behoefte hebben aan beschermd wonen of opvang. Gemeenten dienen daarbij de kwaliteit van de zorg te waarborgen door middel van het ontwikkelen van lokaal kwaliteitsbeleid. Als extra waarborg voor kwalitatief goede ondersteuning formuleert de wet een basisnorm. De voorzieningen moeten in elk geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht worden verleend en afgestemd zijn op de reële behoefte van de cliënt en op andere vormen van zorg of hulp die de cliënt ontvangt (artikel 3.1 WMO).

    Algemene voorzieningen

    Algemene voorzieningen zijn toegankelijk voor alle ingezetenen van een gemeente, althans als ze tot de doelgroep behoren. Alvorens burgers gebruik kunnen maken van een algemene voorziening hoeft er geen onderzoek plaats te vinden en wordt er geen formele beschikking genomen. Voorbeelden zijn: verbetering van toegankelijkheid van gebouwen en voorzieningen; lokaal vervoer; toegankelijkheid informatie; klussendienst; was- en strijkservice; maaltijdvoorziening; sociaal vervoer; informele buurtzorg; sociaal-culturele voorzieningen en opvang voor daklozen (Memorie van Toelichting WMO, pagina 33). Gemeenten kunnen van burgers een eigen bijdrage vragen.

    Maatwerkvoorzieningen

    Melding en onderzoek

    Indien iemand een hulpvraag heeft, meldt diegene zich bij de gemeente. De gemeente is verplicht om onderzoek te doen naar de situatie van de persoon in kwestie (artikel 2.3.2 WMO). Het onderzoek kan ook worden uitbesteed aan een maatschappelijke organisatie of een sociaal wijkteam. In het onderzoek wordt aandacht besteed aan wat iemand zelf kan en hoe de omgeving (gezin, mantelzorg en vrijwilligers) kan ondersteunen. Daarnaast wordt gekeken welke zorg en ondersteuning de persoon al krijgt vanuit algemene voorzieningen en andere wetten, zoals de Participatiewet of de Jeugdwet. Vervolgens is de vraag of in aanvulling op de ondersteuning die de persoon al krijgt nog maatwerkvoorzieningen nodig zijn (artikel 2.3.5 WMO).

    Bij spoedeisende gevallen beslist het college onverwijld tot verstrekking van een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek (artikel 2.3.3 WMO).

    Toetsingskader en beslissing

    Een persoon heeft recht op een maatwerkvoorziening indien hij/zij niet (voldoende) zelfredzaam is en niet (voldoende) kan participeren (Memorie van Toelichting WMO, pagina 24 en 25). Met betrekking tot de zelfredzaamheid dient te worden beoordeeld of iemand in staat is tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en of iemand een gestructureerd huishouden kan voeren. Wat betreft de participatie moet worden nagegaan in hoeverre iemand kan deelnemen aan het maatschappelijk verkeer. Omdat gemeenten veel vrijheid hebben ten aanzien van hun zorgbeleid wordt het concrete toetsingskader bepaald door de gemeenten zelf. Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt besloten welke maatwerkvoorziening de gemeente gaat treffen.

    Eigen bijdrage

    Bij verordening kan een gemeente bepalen dat een eigen bijdrage is verschuldigd voor een maatwerkvoorziening (artikel 2.1.4 WMO). De inning van de bijdragen wordt, met uitzondering van de bijdrage voor opvang, uitgevoerd door het Centraal Administratie Kantoor (CAK).

    Persoonsgebonden budget

    Een persoon aan wie een maatwerkvoorziening wordt toegekend kan onder bepaalde voorwaarden ook kiezen voor een persoonsgebonden budget (pgb) (artikel 2.3.6 WMO). Een pgb wordt verstrekt, indien:

    1. De aanvrager, naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders, in staat is de aan het pgb verbonden taken op een verantwoorde wijze uit te voeren. De aanvrager kan zich hierbij ook laten vertegenwoordigen, maar deze vertegenwoordiger mag niet betaald worden uit gemeentelijke bijdragen (dus ook niet uit het pgb);
    2. De aanvrager zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de maatwerkvoorziening als persoonsgebonden budget geleverd wenst te krijgen en dat de door de gemeente aangeboden maatwerkvoorziening niet passend is in zijn specifieke situatie;
    3. Naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt.

    Hulp vanuit de sociale kring kan slechts worden beloond met een bijdrage uit het pgb indien aantoonbaar is dat dit tot betere en effectievere ondersteuning leidt en doelmatiger is.

    Periodiek onderzoek

    Het college onderzoekt periodiek of er aanleiding is om de beslissing (dat een maatwerkvoorziening of pgb wordt toegekend) te heroverwegen. Het college kan een beslissing herzien of intrekken (artikel 2.3.10 WMO), indien het college vaststelt dat:

    • De cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zouden hebben geleid;
    • De cliënt niet langer op een maatwerkvoorziening of pgb is aangewezen;
    • De maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is;
    • De cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het pgb verbonden voorwaarden;
    • De cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt.

    Als de cliënt opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en het besluit om die reden wordt ingetrokken, kan de geldwaarde van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten pgb worden teruggevorderd (artikel 2.4.1 WMO).

    Overgangsrecht

    Extramuraal (AWBZ)

    Cliënten die vóór 1 januari 2015 AWBZ-zorg ontvingen houden gedurende de looptijd van hun indicatiebesluit (maar uiterlijk tot het einde van 2015) recht op de zorg die aan het indicatiebesluit verbonden is, onder de voorwaarden die daarvoor onder de AWBZ van toepassing waren (artikel 8.3 WMO).

    Intramuraal (AWBZ)

    Voor cliënten die vóór 1 januari 2015 begeleid en/of beschermd woonden op grond van de AWBZ is voorzien in een overgangstermijn van minstens vijf volle kalenderjaren. Vooralsnog kunnen deze cliënten dus gewoon begeleid en/of beschermd blijven wonen. De komende jaren zal worden bezien op welke wijze deze zorg in de toekomst vorm zal krijgen (artikel 8.4 WMO).

    Aanvragen voor AWBZ-zorg

    De aanvragen om een (her)indicatie voor AWBZ-zorg die vóór 1 januari 2015 zijn ingediend, moeten nog worden beoordeeld door het CIZ. Het is dus wenselijk dat het CIZ de geldigheidsduur van deze indicatiebesluiten beperkt, zodat gemeenten de maatschappelijke ondersteuning zo snel mogelijk kunnen gaan overnemen (artikel 8.1 lid 2 WMO).

    WMO 2007

    Cliënten die op 1 januari 2015 aanspraak maakten op zorg op grond van de WMO 2007 behouden het recht op die zorg. De intrekking van de WMO 2007 raakt de besluiten dus niet. Als de gemeente op basis van de WMO 2015 gewijzigd beleid vaststelt en in verband daarmee in de verordening nieuwe regels vastlegt omtrent het verstrekken van maatwerkvoorzieningen en budgetten, zal zij hebben te bezien of en zo ja op welke wijze in de verordening ook regels van overgangsrecht moeten worden opgenomen (artikel 8.9 WMO).

    Afsluiting

    Sinds 1 januari 2015 is er veel veranderd in de zorg. In deze nieuwsbrief is de WMO aan bod gekomen. In een volgende nieuwsbrief zal nader worden ingegaan op de Wet langdurige zorg.

     1Memorie van Toelichting WMO, pagina 2 en 3.

    2Memorie van Toelichting WMO, pagina 18.