blog

    Verhouding bestemmingsplanregeling en provinciale verordening

    Tycho Lam
    Tycho LamPublicatiedatum: 26 augustus 2016

    In de uitspraak van 17 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2235) van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: “de Afdeling“) wordt onder andere ingegaan op de verhouding tussen een bestemmingsplanregeling en een provinciale verordening. 

    Essentie

    Om na te gaan of een planregeling wegens strijd met een provinciale verordening onverbindend moet worden geacht, dient in beginsel getoetst te worden aan de provinciale verordening die gold ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan waarin de planregeling is opgenomen. 

    Wanneer in een procedure gericht tegen de verlening van een omgevingsvergunning wordt aangevoerd dat de bestemmingsplanregeling in strijd is met een hogere regeling (bijvoorbeeld een provinciale verordening), dient de bestemmingsplanregeling slechts onverbindend te worden geacht of buiten toepassing te worden gelaten, indien de bestemmingsplanregeling evident in strijd is met een hogere regeling. Voor een dergelijke evidentie is onder meer vereist dat de hogere regelgeving zodanig concreet is dat deze zich voor toetsing daaraan bij wijze van exceptie leent. 

    Nader bekeken

    Aan Lidl Nederland GmbH is een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een supermarkt. In art. 5.3 van de Ruimtelijke Verordening Gelderland 2011 (hierna: “RVG 2011“) is bepaald dat in een bestemmingsplan vestiging van detailhandel in voedings- en genotsmiddelen op perifere locaties niet wordt toegestaan. Vervolgens is er een eerste, tweede en derde herziening van de RVG 2011 vastgesteld. Bij deze herzieningen is art. 5.3 van de RVG 2011 in een ander artikel opgenomen, maar inhoudelijk niet gewijzigd. 

    Appellanten stellen zich op het standpunt dat niet aan het geldende bestemmingsplan mocht worden getoetst omdat het bestemmingsplan, voor zover het een supermarkt toestaat op het perceel, onverbindend is wegens strijd met de RVG 2011. 

    De Afdeling oordeelt als volgt: 

    “De Afdeling is van oordeel dat in een geval als hier voor de beantwoording van de vraag of een planregeling wegens strijd met een provinciale verordening onverbindend moet worden geacht in beginsel getoetst moet worden aan de provinciale verordening die gold ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan waarin deze planregeling is opgenomen. Daarbij is van belang dat het in de RVG 2011 opgenomen verbod om in een bestemmingsplan de vestiging van detailhandel in voedings- en genotsmiddelen op een perifere locatie toe te staan nadien inhoudelijk ongewijzigd is voortgezet en daarbij ook het overgangsrecht ongewijzigd is voortgezet. De nadien in werking getreden versies van de RVG missen derhalve betekenis voor de te verrichten toetsing.”

    De Afdeling overweegt verder: 

    “Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 9 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2842, strekt de mogelijkheid om in een procedure die is gericht tegen een besluit omtrent de verlening van een omgevingsvergunning, de gelding van de toepasselijke bestemmingsplanregeling aan de orde te stellen niet zover dat deze regeling aan dezelfde toetsingsmaatstaf wordt onderworpen als de toetsingsmaatstaf die wordt gehanteerd in het kader van de beoordeling van beroepen tegen een vastgesteld bestemmingsplan. In geval in een eerstbedoelde procedure wordt aangevoerd dat de bestemmingsregeling in strijd is met een hogere regeling als bijvoorbeeld een provinciale verordening, dient de bestemmingsregeling slechts onverbindend te worden geacht of buiten toepassing te worden gelaten, indien de bestemmingsregeling evident in strijd is met de hogere regeling. Voor een dergelijke evidentie is blijkens de uitspraak van 25 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:929, onder meer vereist dat de hogere regelgeving zodanig concreet is dat deze zich voor toetsing daaraan bij wijze van exceptie leent.

    De Afdeling stelt vast dat het verbod op vestiging van detailhandel in voedings- en genotsmiddelen op perifere locaties dat is neergelegd in artikel 5.3 van de RVG 2011 voldoende concreet is om de bestemmingsregeling daaraan exceptief te toetsen.”

    De Afdeling concludeert dat er geen aanleiding bestaat om de planregels in zoverre onverbindend te achten of buiten toepassing te laten en dat er geen sprake is van weigeringsgronden in de zin van art. 2.10, eerste lid, van de Wabo, zodat het college de gevraagde omgevingsvergunning moest verlenen.