blog

    Spuitzone

    Publicatiedatum: 27 januari 2015

    Met deze nieuwsbrief brengen wij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ‘de Afdeling’) van 7 januari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:4) onder de aandacht. Deze uitspraak behandelt een bestemmingsplan waarmee de bouw van 40 woningen wordt mogelijk gemaakt. De woningen zijn gepland op een kortere afstand dan 50 meter (ongeveer 30 meter) tot een fruitteeltbedrijf. De fruitteler komt op tegen het bestemmingsplan, onder meer vanwege een planregel op grond waarvan specifieke spuitmaatregelen zijn vereist.

    Essentie

    Op grond van de planregels is fruitteelt enkel toegestaan ter plaatse van de aanduiding “fruitteelt”. Ter plaatse van deze aanduiding mogen fruittelers (zoals appellant) uitsluitend chemische bestrijdingsmiddelen en gewasbeschermingsmiddelen worden toepast mits apparatuur wordt gebruikt of maatregelen worden getroffen die zorgen door een driftreductie van 90%. De gemeente heeft deze eis gesteld met het oog op bescherming van het milieu en de gezondheid van omwonenden. De Afdeling overweegt dat er geen ruimte bestaat om een dergelijke eis in het bestemmingsplan op te nemen. De essentiële gezondheids- en veiligheidseisen voor de bescherming van het milieu, zoals deze zijn opgenomen in de Machinerichtlijn, zijn reeds in de Nederlandse rechtsorde geïmplementeerd via het Warenbesluit machines. Gelet hierop kunnen in een bestemmingsplan geen specifieke spuitmaatregelen worden opgenomen. Volgens de Afdeling kan overigens, in het belang van een goede ruimtelijke ordening, wel een spuitvrije zone in het bestemmingsplan worden opgenomen. De Afdeling overweegt dat de Verordeningen (EG) 1107/2009 en (EG) 545/2011, de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden en het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden hieraan niet in de weg staan.

    Nader bekeken

    De Afdeling overweegt het volgende:

    “(…)12. [appellant] betoogt voorts dat met artikel 3, lid 3.3.1, van de planregels het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op het perceel [locatie] ten onrechte wordt beperkt. Hiertoe voert hij aan dat de wijze waarop gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt niet in een bestemmingsplan kan

    worden geregeld, omdat dit reeds uitputtend is geregeld met Verordening (EG) 1107/2009, Verordening (EG) 545/2011 van de Commissie van 10 juni 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) 1107/2009 wat de gegevensvereisten voor gewasbeschermingsmiddelen betreft (PB 2011 L 155/67) (hierna: Verordening (EG) 545/2011), alsmede de Wgb en daarop gebaseerde algemene maatregelen van bestuur.

    In dit verband voert [appellant] aan dat de gevolgen van het gebruik voor omwonenden en het milieu reeds bij de toelating van een bepaald gewasbeschermingsmiddel door het Ctgb worden betrokken. Bij de toelating van een gewasbeschermingsmiddel kunnen gebruiksvoorschriften worden vastgesteld die zien op de voorwaarden waaronder het individuele gewasbeschermingsmiddel mag wordt gebruikt.

    12.1. De raad stelt zich op het standpunt dat hij in het kader van een goede ruimtelijke ordening een eigen bevoegdheid heeft om regels te stellen met betrekking tot het gebruik van gewasbestrijdingsmiddelen. Dit volgt onder meer uit het Nederlands actieplan duurzame gewasbescherming. De raad voert verder aan dat het bestemmingsplan de toelating van gewasbeschermingsmiddelen niet beperkt boven op de landelijke toelatingseisen. Evenmin bevat het bestemmingsplan een lijst van middelen die al dan niet toegepast mogen worden. Artikel 3, lid 3.3.1, van de planregels bevat volgens de raad dan ook geen beperking van het gebruik die in strijd zijn met nationale of Europese regelgeving.

    (…)

    12.6. De raad dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening een beoordeling te verrichten van alle bij het gebruik van de gronden betrokken ruimtelijke aspecten. Hieronder vallen ook ruimtelijke gevolgen van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Een ruimtelijke regulering van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen kan vanuit planologisch oogpunt derhalve gewenst zijn. Zo kan uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening in een teeltvrije of spuitvrije zone tussen een agrarische bestemming en de gevoelige bestemming worden voorzien. Voorts kan binnen een agrarische bestemming een spuitvrije zone worden opgenomen. Verordening (EG) 1107/2009, Verordening (EG) 545/2011, de Wgb alsmede de op de Wgb gebaseerde algemene maatregelen van bestuur laten een dergelijke regulering in het kader van een goede ruimtelijke ordening in een bestemmingsplan onverlet. De Afdeling ziet hiervan een bevestiging in het Nederlands actieplan duurzame gewasbescherming dat op grond van artikel 81a, eerste lid, van de Wgb is opgesteld. In dit actieplan staat dat gemeenten in bestemmingsplannen regels stellen die mede strekken ter bescherming van omwonenden. In het belang van een goede ruimtelijke ordening worden bij vestiging van een bestemming afstanden van tien tot vijftig meter aangehouden tussen een agrarische en een woonbestemming, zo volgt uit het actieplan.

    12.7. In artikel 3, lid 3.3.1, van de planregels wordt echter met het oog op de bescherming van het milieu en de gezondheid van omwonenden een specifieke eis gesteld aan de apparatuur voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. De Afdeling stelt vast dat de Machinerichtlijn van toepassing is op deze planregel. In bijlage I van de Machinerichtlijn zijn essentiële veiligheids- en gezondheidseisen betreffende het ontwerp en de bouw van machines opgenomen. In dit kader kan in het bijzonder worden gewezen op afdeling 2.4 van bijlage 1 van de Machinerichtlijn.

    Zoals de Afdeling reeds in de uitspraak van 17 april 2013, in zaak nr. 201109374/1/A1 heeft overwogen wordt met de Machinerichtlijn een volledige harmonisatie op Unie-niveau tot stand gebracht en kunnen de lidstaten geen afwijkende normen stellen, tenzij de richtlijn zelf in een afwijkmogelijkheid voorziet. In dit kader kan worden gewezen op artikelen 10 en 15 van de Machinerichtlijn.

    Artikel 10 geeft de lidstaten de mogelijkheid om, wanneer deze van mening zijn dat een geharmoniseerde norm niet geheel voldoet aan de in bijlage I vermelde essentiële gezondheids- en

    veiligheidseisen waarop deze norm betrekking heeft, zich met een motivering tot het bij Richtlijn 98/34/EG ingestelde comité te wenden.

    Uit artikel 15 volgt dat de bepalingen van de Machinerichtlijn de bevoegdheid van de lidstaten onverlet laten om, met inachtneming van het Unierecht, de eisen voor te schrijven die zij noodzakelijk kunnen achten ter bescherming van personen, en met name van werknemers, bij het gebruik van machines.

    Thans dient te worden onderzocht of van de in deze artikelen geboden mogelijkheden gebruik is gemaakt.

    12.8. Ten aanzien van de in artikel 10 van de Machinerichtlijn neergelegde mogelijkheid staat vast dat de centrale overheid zich niet met een motivering als bedoeld in dat artikel heeft gewend tot het bij de Machinerichtlijn ingestelde comité. Ten aanzien van artikel 15 van de Machinerichtlijn wordt overwogen dat deze afwijkingsmogelijkheid in het onderhavige geval niet van toepassing is, omdat artikel 3, lid 3.3.1, van de planregels geen regeling bevat die ziet op de bescherming van de gebruikers van de apparatuur voor gewasbeschermingsmiddelen.

    12.9. Blijkens de tekst van het Warenwetbesluit en de bijbehorende transponeringstabel (Stb. 2011, 594, p. 34) zijn de essentiële gezondheids- en veiligheidseisen voor de bescherming van het milieu zoals vervat in bijlage 1, afdeling 2.4, van de Machinerichtlijn in de Nederlandse rechtsorde geïmplementeerd via een dynamische verwijzing in het Warenwetbesluit machines. Gelet hierop bestaat naar het oordeel van de Afdeling geen ruimte om een dergelijke gezondheids- en veiligheidseis in een bestemmingsplan op te nemen. Het betoog van [appellant] slaagt. (…)”.