blog

    Cessieverbod

    Manouk RadstaakPublicatiedatum: 27 mei 2016

    In een kwestie die speelde bij Rechtbank Overijssel kwam de problematiek van de overdraagbaarheid van vorderingen aan de orde. Naar aanleiding van het vonnis van de rechtbank besteden wij in deze nieuwsbrief hieraan aandacht.

    Problematiek

    Uitgangspunt in het verbintenissenrecht is dat schuldeiser en schuldenaar een vordering in beginsel elke vorm en inhoud kunnen geven die zij wensen. Voor een schuldenaar kan het prettig zijn om af te spreken dat de vordering onoverdraagbaar is. Hij hoeft dan niet in de gaten te houden of de vordering wellicht wordt/is overgedragen aan een derde, waardoor hij niet meer bevrijdend kan betalen aan zijn voormalig schuldeiser. Van zo’n overdracht ontvangt de schuldenaar weliswaar een kennisgeving, maar met name bij grote bedrijven komt zo’n mededeling niet altijd op de juiste plek terecht. In de praktijk wordt daarom regelmatig een cessieverbod opgenomen bij het ‘vormgeven’ van een vordering. Het is de vraag of zo’n cessieverbod enkel verbintenisrechtelijk werkt of ook goederenrechtelijk. Werkt het verbod enkel verbintenisrechtelijk, dan geldt het uitsluitend tussen schuldeiser en schuldenaar. Draagt de schuldeiser de vordering ondanks het verbod toch over, dan is hij weliswaar aansprakelijk jegens de schuldenaar, maar wordt de vordering zelf wel rechtsgeldig overgedragen. Werkt het cessieverbod goederenrechtelijk, dan is de vordering zelf niet overdraagbaar in de zin van artikel 3:83 Burgerlijk Wetboek (hierna: ‘BW‘). Overdracht van de vordering is dan niet mogelijk.

    Nader bekeken

    In het arrest Oryx/Van Eesteren (ECLI:NL:HR:2003:AF0168) heeft de Hoge Raad bevestigd dat de goederenrechtelijke overdraagbaarheid van een vordering inderdaad uitgesloten kan worden door een beding tussen schuldeiser en schuldenaar. Naar aanleiding van dit arrest zijn er veel vragen ontstaan in de literatuur, die geleid hebben tot een proefprocedure. Op 21 maart 2014 heeft de Hoge Raad het langverwachte vervolgarrest gewezen: Coface/Intergamma (ECLI:NL:HR:2014:682). In dit arrest bevestigt de Hoge Raad dat een vordering goederenrechtelijk onoverdraagbaar gemaakt kan worden. Daarnaast geeft de Hoge Raad een maatstaf voor de beoordeling of een cessieverbod enkel verbintenisrechtelijk werkt of dat het ook goederenrechtelijke werking heeft. Als uitgangspunt bij de uitleg van bedingen die de overdraagbaarheid van een vorderingsrecht uitsluiten, moet volgens de Hoge Raad worden aangenomen dat zij uitsluitend verbintenisrechtelijke werking hebben, tenzij uit de – naar objectieve maatstaven uit te leggen – formulering daarvan blijkt dat daarmee goederenrechtelijke werking als bedoeld in art. 3:83 lid 2 BW is beoogd.

    Kortom: een cessieverbod betekent in beginsel dat overdracht van de vordering niet is toegestaan, tenzij uit de formulering overduidelijk blijkt dat partijen bedoeld hebben dat overdracht van de vordering niet mogelijk is.

    Praktijk

    Voor de praktijk is van belang dat voor goederenrechtelijke onoverdraagbaarheid duidelijk moet zijn dat de vordering zelf niet overdraagbaar is. Het cessieverbod zal dus bewoordingen moeten bevatten als: “Deze vordering is onoverdraagbaar”. Staat in een cessieverbod: “Het is niet toegestaan de vordering over te dragen”, dan zal dit enkel verbintenisrechtelijke werking hebben. In dat laatste geval is het de schuldeiser (contractueel) verboden om de vordering over te dragen, maar is de vordering zelf wel overdraagbaar.