blog

    Legessanctie artikel 3.1 lid 4 Wro

    Merel Copier
    Merel CopierPublicatiedatum: 27 juni 2016

    In de uitspraak van 30 maart 2016 (ECLI:NL:GHDHA:2016:906) van het Gerechtshof Den Haag (hierna: “het Hof”) wordt meer duidelijkheid verschaft over de reikwijdte van de legessanctie van artikel 3.1, vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: “de Wro”). 

    Essentie         

    Het in behandeling nemen van de aanvraag van een omgevingsvergunning (de omgevingsvergunning voor planologisch strijdig gebruik daaronder begrepen) is een met het bestemmingsplan samenhangende dienst in de zin van artikel 3.1, vierde lid, van de Wro. Dit zou anders kunnen zijn indien de van de behandeling van de aanvraag deel uitmakende door of vanwege de gemeente verrichte werkzaamheden in de legesverordening als afzonderlijke belastbare diensten zijn aangewezen.

    Artikel 3.1, vierde lid, van de Wro staat naar doel en strekking niet alleen aan de invordering, maar ook aan de heffing van leges in de weg.

    Nader bekeken

    Artikel 3.1, vierde lid, van de Wro bepaalt dat, indien niet voor het verstrijken van de periode van tien jaar opnieuw een bestemmingsplan is vastgesteld dan wel een verlengingsbesluit is genomen, de bevoegdheid tot het invorderen van na dat tijdstip door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten die verband houden met het bestemmingsplan vervalt. Het artikel regelt de zogeheten ‘legessanctie’ en is door de wetgever ingevoerd om door middel van een financiële prikkel te bevorderen dat bestemmingsplannen actueel worden gehouden (Kamerstukken II 2003/2004, 28 916, nr. 9, p. 14-15).

    In de onderhavige uitspraak had belanghebbende een aanvraag omgevingsvergunning ingediend, voor (onder meer) de activiteit bouwen. Bij brief van 28 mei 2014 is deze omgevingsvergunning geweigerd en zijn leges in rekening gebracht. Omdat de aanvraag is getoetst aan een bestemmingsplan dat ouder is dan tien jaar, heeft de heffingsambtenaar bij brief van 25 juni 2014 het legesbedrag (ambtshalve) verminderd met 1) het bedrag aan leges die verband houden met het bestemmingsplan (15% voor het onderdeel bouwen, met een maximum van € 1.000,00) en 2) een bedrag voor de planologische procedure. De heffingsambtenaar is van oordeel dat de toetsing van de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen aan het Bouwbesluit 2012, de Bouwverordening en de redelijke eisen van welstand geen diensten betreffen die verband houden met het bestemmingsplan. Om die reden is volgens de heffingsambtenaar de legessanctie van artikel 3.1, vierde lid, van de Wro niet van toepassing en mogen voor deze diensten wél leges worden geheven. In de uitspraak van het Hof staat centraal of dit oordeel van de heffingsambtenaar juist is.

    De Rechtbank Den Haag heeft in eerste aanleg (ECLI:NL:RBDHA:2015:5404, niet op www.rechtspraak.nl gepubliceerd) overwogen dat de heffingsambtenaar het niet bij het rechte eind heeft. Volgens de rechtbank dient de term ‘rechten ter zake van (…) door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten die verband houden met het bestemmingsplan’ in de zin van artikel 3.1, vierde lid, van de Wro ruim te worden uitgelegd. Onder de hiervoor bedoelde term vallen, zo oordeelt de rechtbank, volgens de letterlijke tekst van de toelichting ook de leges ter zake van bouwactiviteiten. Voor de door de heffingsambtenaar voorgestane splitsing in een toets aan het bestemmingsplan en de overige toetsen aan onder meer het Bouwbesluit 2012 ziet de rechtbank gelet op de toelichting geen ruimte (zie ook Rechtbank Gelderland 27 oktober 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:6444). De Rechtbank Noord-Holland kwam in de uitspraak van 4 december 2015 (ECLI:NL:RBNHO:2015:11203) tot een beperktere uitleg van de legessanctie van artikel 3.1, vierde lid, van de Wro. Volgens de Rechtbank Noord-Holland bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de leges voor de welstandscommissie en de bodemrapporten niet geheven zouden mogen worden. Deze kosten houden volgens de Rechtbank Noord-Holland geen verband met het bestemmingsplan.  

    Het Hof schaart zich in deze uitspraak achter de overwegingen van de Rechtbank Den Haag en overweegt als volgt:

    “8.2. Naar het oordeel van het Hof is het in behandeling nemen van de aanvraag van een omgevingsvergunning een met het bestemmingsplan samenhangende dienst in de zin van artikel 3.1, vierde lid van de Wro. Voor dit oordeel vindt het Hof steun in de duiding die in de wetsgeschiedenis aan artikel 3.1., vierde lid van de Wro is gegeven:

    “(…) als de raad niet binnen [de 10-jaarstermijn] een nieuw bestemmingsplan heeft vastgesteld dan wel besloten heeft de termijn met tien jaar te verlengen kunnen leges terzake van vergunningen voor bouw-, aanleg- of sloopactiviteiten binnen het betrokken bestemmingsplangebied vanaf het moment van het verstrijken van de 10-jaarstermijn niet worden ingevorderd” (Kamerstukken 2003-2004, 28916, nr. 9).

    De omstandigheid dat de gemeentelijke wetgever het tarief waarnaar het ter zake van de onderhavige dienst verschuldigde bedrag wordt berekend, op de onder 8.1 vermelde wijze heeft gedifferentieerd, doet aan het voorgaande niet af. 

    8.3. Naar het oordeel van het Hof is er dan ook geen reden om, zoals de heffingsambtenaar voorstaat, een gedeelte van het bedrag van € 14.059,57 buiten de reikwijdte van artikel 3.1, vierde lid,van de Wro te plaatsen.”. 

    Het Hof komt tot de conclusie dat het in behandeling nemen van de aanvraag van een omgevingsvergunning een met het bestemmingsplan samenhangende dienst in de zin van artikel 3.1, vierde lid, van de Wro is. Het Hof voegt hieraan wel toe dat dit anders zou kunnen zijn indien de door de heffingsambtenaar genoemde, van de behandeling van de aanvraag deel uitmakende door of vanwege de gemeente verrichte werkzaamheden – te weten de toetsing van de bouwactiviteiten aan het bouwbesluit, de bouwverordening, het bestemmingsplan en de redelijke eisen van welstand – in de legesverordening als afzonderlijke belastbare diensten waren aangewezen. Daarvan is in dit geval geen sprake.

    Het is opvallend dat het Hof in vrij algemene bewoordingen overweegt dat het in behandeling nemen van de aanvraag van een omgevingsvergunning een met het bestemmingsplan samenhangende dienst is. Deze overweging suggereert dat (ook) alle omgevingsvergunningen voor planologisch strijdig gebruik (als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid en onder c, in combinatie met artikel 2.12, eerste lid onder a van de Wabo) onder de legessanctie als bedoeld in artikel 3.1, vierde lid, van de Wro vallen. Het is de vraag of het Hof deze lezing heeft bedoeld. Voorzichtigheid is derhalve geboden. De Rechtbank Gelderland heeft in een uitspraak van 27 oktober 2015 (ECLI:NL:RBGEL:2015:6444) ten aanzien van de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12 lid 1 onder a sub 1 Wabo (binnenplanse afwijking) overwogen dat deze onder de legessanctie valt:

    “De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld wat de reikwijdte is van de legessanctie. Verweerder stelt dat alleen de leges inzake het planologisch strijdige gebruik à € 223 onder de legessanctie vallen, aangezien alleen deze leges direct betrekking hebben op het verouderde bestemmingplan. Voor de overige in rekening gebrachte leges ontbreekt volgens verweerder dit directe verband. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn redenering. Uit de aangehaalde Tweede nota van wijziging blijkt dat de legessanctie ziet op leges ten aanzien van vergunningen voor bouw-, aanleg- of sloopactiviteiten. Naar het oordeel van de rechtbank zien alle in rekening gebrachte leges direct op de aangevraagde omgevingsvergunning voor de verbouw van eisers woning. Weliswaar splitst verweerder het totale legesbedrag uit naar verschillende categorieën, maar feitelijk hebben deze leges betrekking op één en dezelfde vergunningsaanvraag. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat alle in rekening gebrachte leges onder de legessanctie vallen.”. 

    Jurisprudentie zal moeten uitwijzen of, en zo ja, in welke gevallen de legessanctie toepasselijk is op omgevingsvergunningen voor planologisch strijdig gebruik.

    In deze uitspraak komt tevens de vraag aan bod of de legessanctie van artikel 3.1, vierde lid, van de Wro, naast het invorderen, ook in de weg staat aan het heffen van leges. De heffingsambtenaar had zich op het standpunt gesteld dat dit niet het geval is. De tekst van artikel 3.1, vierde lid, van de Wro spreekt (enkel) van het invorderen van leges. Het Hof volgt de heffingsambtenaar evenwel niet in zijn betoog en overweegt als volgt:

    “Naar het oordeel van het Hof staat artikel 3.1., vierde lid, van de Wro naar doel en strekking niet alleen aan de invordering, maar ook aan de heffing van de in geschil zijnde leges in de weg. Indien moet worden aangenomen dat artikel 3.1., vierde lid, van de Wro uitsluitend de invordering van de onderhavige leges verbiedt, is de heffing ervan niettemin uitgesloten omdat het heffen van belasting waarvan de invordering bij wet is verboden, in strijd is met de algemene rechtsbeginselen, in het bijzonder het legaliteitsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel.”.

    Het is afwachten of cassatie tegen de uitspraak van het Hof zal worden ingesteld, en zo ja, hoe de Hoge Raad over de reikwijdte van de legessanctie van artikel 3.1, vierde lid, van de Wro denkt.