blog

    Preventieve last onder dwangsom

    Merel Copier
    Merel CopierPublicatiedatum: 28 april 2016

    Met deze nieuwsbrief brengen wij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: “de Afdeling”) van13 april 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:984) onder de aandacht. In deze uitspraak komt de vraag aan de orde of aan de eigenaresse van een hond, naast een aanlijn- en muilkorfgebod op grond van de algemene plaatselijke verordening (hierna: “APV”), een preventieve last onder dwangsom kon worden opgelegd, inhoudende dat zij voor iedere keer dat de hond niet is aangelijnd en gemuilkorfd een dwangsom verbeurt.

    Essentie

    In het geval op grond van de APV een aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegd, kan ter voorkoming van overtreding daarvan slechts een preventieve last onder dwangsom worden opgelegd indien de overtreding zich met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zal voordoen.

    Nader bekeken

    Het college van burgemeester en wethouders (hierna: “burgemeester en wethouders”) heeft op grond van de APV aan appellante een aanlijn- en muilkorfgebod opgelegd voor haar rottweiler Rico. Reden voor het opleggen van het aanlijn- en muilkorfgebod was dat de rottweiler een aantal keren betrokken was geweest bij incidenten op openbare plaatsen.

    Naast het aanlijn- en muilkorfgebod hebben burgemeester en wethouders aan appellante een preventieve last onder dwangsom opgelegd, inhoudende dat zij voor iedere keer dat de hond niet is aangelijnd en gemuilkorfd een dwangsom verbeurt. De wettelijke grondslag voor de preventieve last onder dwangsom is artikel 5:7 van de Algemene wet bestuursrecht. Op grond van dat artikel kan een herstelsanctie, zoals een last onder dwangsom, worden opgelegd, ‘zodra het gevaar voor de overtreding klaarblijkelijk dreigt’.

    Volgens burgemeester en wethouders zou het gevaar voor overtreding van het aanlijn- en muilkorfgebod klaarblijkelijk dreigen. Burgemeester en wethouders voeren daartoe aan dat uit een advies van de hondengeleider blijkt dat de hondengeleider appellante heeft gewezen op haar verantwoordelijkheid om incidenten met de hond te voorkomen, maar desondanks later binnen de bebouwde kom een incident heeft plaatsgevonden, waarbij de hond een andere hond heeft gebeten en waarbij die hond drie bijtwonden heeft opgelopen. Dit incident klemt volgens burgemeester en wethouders te meer, nu de hond in strijd met de APV binnen de bebouwde kom niet was aangelijnd. Burgemeester en wethouders achten bovendien van belang dat appellante tijdens de behandeling van het door haar gemaakte bezwaar heeft verklaard het oneens te zijn met het opleggen van een aanlijn- en muilkorfgebod, omdat zij vindt dat de natuur haar gang moet gaan bij interactie tussen honden. Ook hieruit maken burgemeester en wethouders op dat appellante het niet nauw met de regels neemt.

    De Afdeling overweegt aangaande de bevoegdheid tot het opleggen van een preventieve last onder dwangsom als volgt:

    “De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat geen grond bestaat voor het oordeel van het college dat [appellante] zich met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet aan het voor de hond opgelegde aanlijn- en muilkorfgebod zal houden. Dat na een gesprek tussen [appellante] en de hondengeleider op 9 september 2013 op 19 september 2013 een incident heeft plaatsgevonden biedt geen grond voor een ander oordeel, nu ten tijde van dat incident de geboden nog niet waren opgelegd. Bovendien betwist [appellante] dat de hond bij het incident van 19 september 2013 in strijd met artikel 2:57, eerste lid, aanhef en onder a, van de APV, niet was aangelijnd. Dat [appellante] rechtsmiddelen tegen de geboden heeft aangewend en in bezwaar heeft verklaard het oneens te zijn met de geboden, biedt evenmin voldoende grond voor het oordeel dat [appellante] zich met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet aan de geboden zal houden.”

    De uitspraak illustreert dat het niet gemakkelijk is voor het bevoegd gezag om aan te tonen dat sprake is van gevaar voor een overtreding dat klaarblijkelijk dreigt, omdat wordt vereist dat de overtreding zich met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zal voordoen. Gevallen waarin het gevaar volgens de Afdeling wél klaarblijkelijk dreigt, zijn bijvoorbeeld te vinden in de uitspraken van 25 mei 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BQ5928) en 8 oktober 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3603).