blog

    Overtredersbegrip (Handhaving)

    Publicatiedatum: 29 april 2016

    In de uitspraak van 20 april 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1065) van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: “de Afdeling“) gaat het om de vraag of een bestuurder/aandeelhouder feitelijk leiding geeft aan een verboden gedraging en dus als overtreder als bedoeld in art. 5:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: “Awb“) kan worden aangemerkt.

    Essentie

    Wanneer een bestuurder en aandeelhouder van een bedrijf zich bewust niet met de verboden gedragingen heeft bemoeid, kan de bestuurder toch als overtreder als bedoeld in art. 5:1, eerste lid, van de Awb worden aangemerkt. Door als enige bestuurder een passieve rol aan te nemen, aanvaardt de bestuurder de aanmerkelijke kans dat de overtreding zich zal voordoen en kan hij/zij aangemerkt worden als feitelijk leidinggevende van de verboden gedraging en dus als overtreder.

    Een werknemer die uitsluitend een arbeidsovereenkomst heeft en geen (bestuurs)functie bij de rechtspersoon en werkzaamheden ter plekke heeft uitgevoerd, kan de overtreding van de rechtspersoon niet worden toegerekend als uitsluitend werknemer.

    Nader bekeken

    De provincie en de gemeente hebben gelijkluidende lasten onder bestuursdwang opgelegd die, kort weergegeven, inhouden dat op het bedrijfsterrein aanwezige afvalstoffen moeten worden

    verwijderd. Het overgrote deel van het bedrijfsterrein en de daarop aanwezige gebouwen zijn primair in beheer bij Edelchemie Panheel. Een aantal ruimtes in die gebouwen wordt door Phoenica gebruikt.

    De vraag die onder andere voorligt, is of aandeelhouder en bestuurder van Phoenica aangemerkt moet worden als overtreder als bedoeld in art. 5:1, eerste lid, van de Awb. Appellanten betogen dat zij zich feitelijk niet met de activiteiten op het bedrijfsterrein heeft bemoeid en om deze reden ten onrechte als overtreder is aangemerkt.

    Dit betoog faalt en de Afdeling oordeelt als volgt:

    In zijn arrest van 16 december 1986, nr. 1894, Slavenburg II (NJ 1987, 321), heeft de Hoge Raad geoordeeld dat van feitelijk leiding geven aan een verboden gedraging in de zin van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht sprake kan zijn indien de desbetreffende functionaris, hoewel daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden, maatregelen ter voorkoming van deze gedragingen achterwege laat en bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de verboden gedragingen zich zullen voordoen.

    De Afdeling gaat ervan uit dat [appellant sub 1B] zich in dit geval bewust niet heeft bemoeid met de activiteiten van de door haar bestuurde Phoenica. Phoenica heeft lange tijd ter plaatse activiteiten verricht. Het is niet aannemelijk dat [appellant sub 1B], echtgenote van [appellant sub 1A] en blijkens de stukken tevens eigenares van een deel van het bedrijfsterrein en aansluitende gronden, niet op de hoogte is geweest van deze activiteiten of van de feitelijke context waarbinnen deze werden verricht. Door als enig bestuurder van Phoenica desondanks een passieve rol aan te nemen heeft [appellant sub 1B] bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de overtreding zich zal voordoen als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad. Daarmee is zij met overeenkomstige toepassing van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht als feitelijk leidinggevende terecht als overtreder aangemerkt.

    Een andere vraag die voorligt, is of een werknemer van Phoenica terecht als overtreder is aangemerkt. De werknemer heeft uitsluitend een arbeidsovereenkomst met Phoenica en geen (bestuurs)functie bij deze rechtspersoon. Dat hij jaarstukken van Phoenica heeft ondertekend, maakt hem niet een bestuurder van Phoenica. Als werknemer heeft hij werkzaamheden ter plekke uitgevoerd. De Afdeling oordeelt, dat hem als uitsluitend werknemer niet zonder meer de overtreding van Edelchemie Panheel en Phoenica kan worden toegerekend.