blog

    Eisen aanmaning

    Tycho Lam
    Tycho LamPublicatiedatum: 29 juli 2015

    Met deze nieuwsbrief maken wij je attent op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: “de Afdeling”) van 22 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2301). In deze uitspraak gaat de Afdeling in op de vraag onder welke omstandigheden een brief als aanmaning als bedoeld in artikel 4:112 van de Awb kwalificeert (en dus als geldige stuitingshandeling kan worden aangemerkt). 

    Essentie

    Een brief kwalificeert niet als aanmaning in de zin van artikel 4:112 van de Awb indien de brief niet (overeenkomstig artikel 4:112, derde lid, van de Awb) vermeldt dat bij niet tijdige betaling deze betaling kan worden afgedwongen door op kosten van de schuldenaar uit te voeren invorderingsmaatregelen. Het voorgaande heeft tot gevolg dat de brief in zo’n geval niet als geldige stuitingshandeling kwalificeert.

    Nader bekeken

    In deze zaak had het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ermelo (hierna: “het college”) bij besluit van 5 april 2013 besloten tot invordering van verbeurde dwangsommen ten bedrage van € 50.000,00.

    Op 17 mei 2013 had het college de overtreder een brief gestuurd met als onderwerp “Aanmaning”. In de brief was het volgende vermeld: “Invordering dwangsom onze ref. 2013-01667, uiterste betaaldatum 30 mei 2013.” De brief had betrekking op het bedrag van € 50.000,00 aan verbeurde dwangsommen. Bij besluit op bezwaar van 5 december 2013 had het college het tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 5 april 2013 gewijzigd in die zin, dat het college had besloten tot invordering van verbeurde bedragen ten bedrage van € 40.000,00.

    Bij uitspraak van 3 juli 2014 had de rechtbank Gelderland het besluit op bezwaar vernietigd voor zover het betrekking had op de invordering van meer dan € 10.000,00. Tegen deze uitspraak waren zowel het college als de overtreder in hoger beroep gegaan bij de Afdeling.

    De Afdeling oordeelde in haar uitspraak van 22 juli 2015 dat de bevoegdheid van het college om tot invordering van de verbeurde dwangsommen over te gaan, was verjaard. De Afdeling overwoog hiertoe in de rechtsoverwegingen 6.2 t/m 6.4 het volgende:

    “(…) 6.2. Het college heeft op 17 mei 2013 een brief aan [appellant sub 1] verzonden, met als onderwerp “Aanmaning”. In de brief is vermeld: “Invordering dwangsom onze ref. 2013-01667, uiterste b etaaldatum 30 mei 2013.” De b rief heeft b etrek king op het b edrag van € 50.000,00 aan verbeurde dwangsommen zoals dit is vermeld in het besluit van 5 april 2013. Tevens zijn vervolgk osten van € 14,00 in rek ening geb racht. Het in de b rief verm elde totaalb edrag b edraagt € 50.014,00.

    6.3. In de memorie van toelichting bij de Aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht (Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht), Kamerstukken II, 29 702, nr. 3, blz. 58-60) is met betrekking tot de aanmaning weergegeven dat die een herinnering is te betalen en dat, indien niet tijdig is betaald en de schuldenaar dus in verzuim is, het bestuursorgaan alvorens over te gaan tot het uitvaardigen van een dwangbevel een schriftelijke aanmaning laat volgen waarin wordt verzocht om op korte termijn alsnog te betalen. Voorts is in de memorie van toelichting weergegeven dat de schuldenaar in de aanmaning tevens wordt gewaarschuwd voor mogelijke invorderingsmaatregelen. Hij krijgt nog twee weken om zijn schuld te voldoen en na het verstrijken van de aanmaningstermijn heeft het bestuursorgaan de bevoegdheid om tot dwanginvordering over te gaan, aldus de memorie van toelichting. Zoals daarin verder is weergegeven, kan het bestuursorgaan zich er bij de aanmaning van vergewissen dat betrokkene niet om onbekende, maar wellicht goed verklaarbare, redenen weigert te betalen.

    Gelet op hetgeen in de memorie van toelichting is weergegeven, dient naar het oordeel van de Afdeling uit het oogpunt van rechtszekerheid voor de aangeschrevene uit een aanmaning onmiskenbaar te blijken dat ingeval niet wordt betaald na afloop van de daarin vermelde betalingstermijn dwanginvordering zal volgen.

    6.4. De brief van het college van 17 mei 2013 dateert weliswaar van vóór de verjaringstermijn van de eerste verbeurde dwangsom en vermeldt het bedrag aan dwangsommen dat [appellant sub 1] volgens het college verschuldigd is, maar hij wordt daarin niet gewaarschuwd voor het feit dat na afloop van de betalingstermijn dwanginvordering zal volgen. Gelet hierop is de brief van het college van 17 mei 2013 niet aan te merken als een geldige stuitingshandeling, nu niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 4:112, derde lid, van de Awb . Gelet hierop heeft de rechtbank op zichzelf terecht overwogen dat door het college geen geldige stuitingshandelingen zijn verricht. Zij heeft evenwel niet onderkend dat [appellant sub 1] geen procesbelang meer heeft bij de beoordeling van zijn beroep tegen het besluit op bezwaar van 5 december 2013. Naar het oordeel van de Afdeling dient de vraag of nog belang bestaat bij een inhoudelijke beoordeling van een besluit te worden beoordeeld aan de hand van de feiten en omstandigheden zoals die uiterlijk op de zitting in beroep of hoger beroep bekend zijn geworden. Ten tijde van de zitting bij de rechtbank was de bevoegdheid van het college om tot invordering over te gaan van de dwangsommen, waarop het besluit op bezwaar betrekking heeft, zo die al waren verbeurd, reeds verjaard. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de bevoegdheid tot invordering van de tiende en laatste termijn van de opgelegde last onder dwangsom reeds was verjaard op 27 februari 2014, terwijl de zitting bij de rechtbank heeft plaatsgevonden op 11 maart 2014.

    Het door het college op 8 april 2014 uitgevaardigde dwangbevel maakt het vorenstaande niet anders, reeds omdat dit dwangbevel na het verjaren van de tiende en laatste termijn op 27 februari 2014 is uitgevaardigd, zodat daarmee de verjaring niet tijdig is gestuit. Evenmin is gebleken dat het college de verjaringstermijn heeft verlengd door het verlenen van uitstel van betaling, als bedoeld in de artikelen 4:94 en 4:111 van de Awb. Het voorgaande brengt mee dat er geen dwangsommen meer bij [appellant sub 1] kunnen worden ingevorderd. (…)”. (onderstrepingen mijnerzijds, TL)

    De brief van 17 mei 2013 kwalificeerde volgens de Afdeling niet als geldige stuitingshandeling, omdat het college in de brief van 17 mei 2013 niet had gewaarschuwd voor het feit dat na afloop van de betalingstermijn dwanginvordering zou volgen. Dit terwijl artikel 4:112, derde lid, van de Awb bepaalt dat de aanmaning vermeldt dat bij niet tijdige betaling deze betaling kan worden afgedwongen door op kosten van de schuldenaar uit te voeren invorderingsmaatregelen. Het voorgaande had tot gevolg dat de bevoegdheid van het college om tot invordering van de verbeurde dwangsommen over te gaan, was verjaard. Er waren nadien immers geen andere stuitingshandelingen verricht.

    Bovenstaande uitspraak lijkt niet geheel in lijn te zijn met de uitspraak van de Afdeling van 8 oktober 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3603). Ook in die uitspraak werd niet voldaan aan alle eisen die artikel 4:112 van de Awb stelt, omdat de termijn van twee weken uit het eerste lid van dat artikel in de betreffende brief was verkort naar acht dagen. De Afdeling oordeelde niettemin dat de brief als aanmaning in de zin van artikel 4:112 van de Awb kwalificeerde. Niet duidelijk is waarom de Afdeling ten aanzien van de eisen van het derde lid van artikel 4:112 van de Awb nu anders oordeelt. Gelet hierop verdient het aanbeveling een brief op te stellen die op alle punten aan de tekst van artikel 4:112 van de Awb voldoet, dus ook voor wat betreft de termijn uit het eerste lid.