blog

    Inwerkingtreding Huisvestingswet 2014 per 1 januari 2015

    Marieke Thijssen
    Marieke ThijssenPublicatiedatum: 30 januari 2015

    Algemeen

    Op 1 januari 2015 is de Huisvestingswet 2014 in werking getreden (Stb. 2014, 248). Deze wet heeft gevolgen voor gemeenten en verhuurders. Hieronder volgt in kort bestek een aantal belangrijke punten.

    Goedkope woonruimte is schaars. Met de Huisvestingswet 2014 wil de regering gemeenten instrumentarium bieden om “in te grijpen in de woonruimteverdeling en de samenstelling van de woonruimtevoorraad voor het bestrijden van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan goedkope woonruimte” (Kamerstukken I, 32271, C, p. 2).

    Bij schaarste gaat het om:

    • Schaarste aan goedkope woonruimte in het algemeen;
    • Schaarste aan woonruimte met speciale voorzieningen;
    • Schaarste aan goedkope huurwoningen voor de huidige inwoners van een gemeente.

    De wet biedt gemeenten verder de mogelijkheid om een urgentieregeling op te stellen waarmee mensen in noodsituaties snel kunnen worden gehuisvest, ook als er geen sprake is van schaarste.

    Het grote verschil met de huidige situatie is dat gemeenten geen convenanten meer mogen sluiten met corporaties, maar als zij toewijzingsregels willen hanteren, een huisvestingsverordening moeten vaststellen. Hierbij moeten de relevante organisaties zoals woningcorporaties en organisaties van huurders en dergelijke worden betrokken. In de huisvestingsverordening wordt onder andere geregeld in welke gevallen (voor welke woningen) een huisvestingsvergunning nodig is. Hierbij kunnen huurprijs en locatie een rol spelen. Daarnaast dient bijvoorbeeld nog te worden vastgelegd welke woningzoekenden in aanmerking komen voor een huisvestingsvergunning. De verordening heeft een geldigheidsduur van vier jaar; in die tijd moet de gemeente de schaarste aanpakken. De gemeenten hebben tot 1 juli 2015 de tijd om een huisvestingsverordening vast te stellen. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft een modelverordening opgesteld die gemeenten aan hun eigen situatie kunnen aanpassen.

    Aandachtspunten voor verhuurders

    Normen en sancties

    Zoals gezegd worden in de Huisvestingsverordening categorieën goedkope woonruimte aangewezen die niet voor bewoning in gebruik mogen worden genomen of gegeven indien daarvoor geen huisvestingsvergunning is verleend (artikel 7 Huisvestingswet). Verhuurders van deze aangewezen woonruimte moeten zich er dus van bewust zijn dat zij deze woonruimte zonder huisvestingsvergunning niet mogen verhuren. Daarnaast is het verboden om aangewezen woonruimte zonder vergunning met een andere woonruimte samen te voegen, van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte om te zetten, te splitsen of aan de bestemming tot bewoning te onttrekken. Doen verhuurders dit wel of verhuren zij de aangewezen woonruimte zonder vergunning, dan riskeren zij een (bestuurlijke) boete, die kan oplopen tot 20.250 euro (artikel 35 Huisvestingswet).

    Vergunningaanvraag

    Indien een woningzoekende aangewezen woonruimte wil huren, dient hij een huisvestingsvergunning aan te vragen. Alleen aan woningzoekenden die de Nederlandse nationaliteit bezitten, op grond van de wet als Nederlander worden behandeld of als vreemdeling rechtmatig in Nederland verblijven, kan het college van burgemeester en wethouders een vergunning verlenen (artikel 10 lid 2 Huisvestingswet). Daarnaast dient de woningzoekende te voldoen aan de criteria, die zijn vastgelegd in de huisvestingsverordening. Deze criteria mogen geen betrekking hebben op het huishoudinkomen (artikel 9 lid 2 Huisvestingswet). De gemeenteraad kan voorrang verlenen aan bepaalde woningzoekenden die dringend behoefte hebben aan woonruimte. De raad stelt zelf de urgentiecategorieën vast, maar in ieder geval moeten mantelzorgers, personen die in verband met relatieproblemen of geweld hun woonruimte hebben verlaten en verblijfsgerechtigden die voor het eerst een woning zoeken onder een urgentiecategorie kunnen worden gebracht’ (artikelen 11-14 Huisvestingswet).

    De bevoegdheid van het college om aan een woningzoekende een vergunning te verlenen, kan aan de eigenaar of beheerder van de woonruimte worden gemandateerd. Wanneer een woningzoekende het huurcontract komt tekenen, kan dan ook meteen de huisvestingsvergunning worden geregeld. Omdat het een mandaatconstructie betreft, blijft de eindverantwoordelijkheid liggen bij het college (Memorie van Toelichting, pagina 51).

    Indien de eigenaar de aangewezen woonruimte wil samenvoegen, omzetten, splitsen of onttrekken aan de bestemming tot bewoning, dient hij hiervoor zelf een vergunning aan te vragen (artikel 23 Huisvestingswet). De voorwaarden waaronder de vergunning kan worden verleend, worden door de gemeenteraad opgenomen in de huisvestingsverordening.

    Conclusie

    Met de Huisvestingswet 2014 komt de huisvestingsverordening centraal te staan. Individuele afspraken met verhuurders zijn niet meer toegestaan. Om toch invloed uit te kunnen oefenen op de vast te stellen huisvestingsverordening is het raadzaam om als verhuurder tijdig met de gemeente om de tafel te gaan zitten. Daarnaast is het van belang om er bewust van te zijn dat een vergunning vereist kan zijn, zodat hoge boetes worden voorkomen. Ten slotte is het raadzaam om in de huurovereenkomst op te nemen dat de huurder verplicht is om te beschikken over een huisvestingsvergunning op straffe van een contractuele boete.

    1Artikel 19 Huisvestingswet. In het wetsvoorstel was dit nog artikel 20.