blog

    Onteigening: eliminatie bij de bepaling van de werkelijke waarde

    Marie-Anna Bullens
    Marie-Anna BullensPublicatiedatum: 30 januari 2015

    Met deze nieuwsbrief brengen wij twee uitspraken onder de aandacht, waarin de vraag aan de orde komt of bij de bepaling van de werkelijke waarde van het onteigende een bestemming moet worden geëlimineerd. Het betreft het vonnis van de rechtbank Den Haag van 3 december 2014 (ECLI:NL:RBDHA:2014:15081) en het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 17 december 2014 (ECLI:NL:RBMNE:2014:6820).

    Essentie

    In de eerste uitspraak wordt de recreatiebestemming niet geëlimineerd. De rechtbank Den Haag overweegt dat de bestemmingsplanwijziging deels een eigen en zelfstandige werkzaamheid was van de gemeente. Dat de gemeente daarbij aansluiting heeft gezocht bij een streekplan, past in een gangbare planologische ontwikkeling en laat onverlet dat de gemeente in vrijheid heeft kunnen kiezen voor de inpassing van een recreatieve bestemming. Aldus is niet aannemelijk geworden dat de gemeente geen andere keuze had dan zich aan te sluiten bij een hoger ontwikkeld plan waarbij aan het onteigende al een concreet uitgewerkte recreatieve bestemming was toebedacht.

    Ook in de tweede uitspraak wordt er niet geëlimineerd. De rechtbank Midden-Nederland overweegt daartoe dat de eerdere voorliggende plannen niet zodanig gedetailleerd waren, dat sprake was van een concreet plan. Op grond van de aanwezige plannen diende nog vele (ruimtelijke) beleidsafwegingen te worden gemaakt en dienden de plannen nog op vele punten te worden ingevuld.

    Nader bekeken

    Rechtbank Den Haag 3 december 2014

    Het onteigende betreft een agrarisch perceel dat in 1973 door het bestemmingsplan “Buitengebied” van agrarisch naar recreatief gebruik is bestemd. De onteigende stelt dat het

    bestemmingsplan “Buitengebied” moet worden geëlimineerd, omdat de recreatieve bestemming is bepaald door het al bestaande beleidsplan “Delftse Hout”. Volgens de onteigende is het bestemmingsplan “Buitengebied” slechts vastgesteld om de juridisch-planologische onderbouwing te geven die de beoogde aanleg van het werk waarvoor onteigend wordt mogelijk te maken. Indien het plan “Delftse Hout” er niet was geweest zou het onteigende een agrarische bestemming hebben gehad. Het bestemmingsplan “Buitengebied” dient dan ook te worden geëlimineerd, volgens de onteigende.

    De rechtbank kan zich niet verenigen met het standpunt van de onteigende en overweegt dat het bestemmingsplan “Buitengebied” niet moet worden geëlimineerd. Uit de toelichting op het bestemmingsplan “Buitengebied” blijkt, volgens de rechtbank, dat de bestemmingswijziging, deels een eigen en zelfstandige werkzaamheid van de gemeente was. Dat de gemeente aansluiting heeft gezocht bij het streekplan en het plan “Delftse hout”, past in een gangbare planologische ontwikkeling en laat onverlet dat de gemeente in vrijheid heeft kunnen kiezen voor de inpassing van een recreatieve bestemming. De rechtbank vervolgt:

    “Niet gebleken is dat de gemeente [gemeente] zich niet door eigen beleidsafwegingen heeft laten leiden, maar geheel (of: in overwegende mate) door het feit dat er een bestaand plan was waarvoor onteigend zou gaan worden, en dat tot de desbetreffende vaststelling noopte. Niet aannemelijk is aldus geworden dat zich rond 1973 een situatie voordeed waarbij de gemeente geen andere keuze had dan zich aan te sluiten bij een hoger ontwikkeld plan waarbij aan het onteigende al een concreet uitgewerkte recreatieve bestemming was toebedacht. (vgl. HR 31 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1684, en de conclusie van Advocaat-Generaal Huydecoper bij HR 8 februari 2013, NJ 2013, 318, in het bijzonder nrs. 31-32).”

    Gelet op het voorgaande overweegt de rechtbank dat het bestemmingsplan “Buitengebied” niet moet worden geëlimineerd.

    Rechtbank Midden-Nederland 17 december 2014

    De onteigende onroerende zaak is gelegen binnen de stadsuitbreidingslocatie ‘Leidsche Rijn’. In de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra (hierna: ‘VINEX’) is deze locatie aangewezen als één van de ontwikkelingsgebieden voor een nieuwbouwlocatie in Nederland. De nieuwbouwlocatie omvat zowel woonwijken, kantoorlocaties als ook een stadspark. Het stadspark is planologisch vastgelegd in het bestemmingsplan “Leidsche Rijn Park”. De onteigende onroerende zaak is gelegen in dit bestemmingplan.

    De gemeente heeft aangevoerd dat het bestemmingsplan Leidsche Rijn Park dient te worden geëlimineerd. Volgens de gemeente is het bestemmingsplan Leidsche Rijn Park vastgesteld teneinde de juridisch-planologische onderbouwing te geven aan het al langer bestaande concreet plan voor zowel de hele locatie Leidsche Rijn, als ook het daarin aanwezige park.

    De rechtbank Midden-Nederland stelt vast dat de invulling van de nieuwbouwlocatie Leidsche Rijn een langdurig proces is geweest, waarbij globale hoofdlijnen steeds verder op onderdelen zijn uitgewerkt. In de uitwerking was sprake van vele eigen beleidsafwegingen van de gemeente. De aanwezige plannen waren echter niet zo gedetailleerd dat gezegd kan worden

    dat er een concreet plan was. Daarbij overweegt de rechtbank Midden-Nederland dat indien in dit geval wél zou moeten worden geëlimineerd, dit in wezen zou betekenen dat vrijwel elk bestemmingsplan dient te worden geëlimineerd. Elk bestemmingsplan wordt voorafgegaan door planvorming die in de meeste gevallen in steeds verdere mate is uitgewerkt. Een zo vergaande uitleg van artikel 40c Onteigeningswet zou naar het oordeel van de rechtbank betekenen dat de rechtbank in wezen op de stoel van de wetgever zou gaan zitten.

    Momenteel zijn er meerdere zaken aanhangig bij de Hoge Raad over het elimineren van bestemmingen bij onteigening. Verwacht wordt dat medio 2015 de arresten zullen worden gewezen. Uiteraard houden wij je op de hoogte.