blog

    Advies aan Hoge Raad: laat de pelsdierhouders bewijzen dat buitenproportionele schade wordt ondervonden.

    Paul HerderPublicatiedatum: 14 oktober 2016
    Advies aan Hoge Raad: laat de pelsdierhouders bewijzen dat buitenproportionele schade wordt ondervonden.

    Op 15 januari 2013 is de Wet verbod pelsdierhouderij in werking getreden. Onder meer de Nederlandse Federatie van Edelpelsdierenhouders (NFE) heeft het verbod bij de rechter bestreden. Na uitspraken van de rechtbank en het gerechtshof ligt de zaak inmiddels bij de Hoge Raad. Op 19 september 2016 is de conclusie van de Advocaat-Generaal gepubliceerd waarin de Hoge Raad wordt geadviseerd. Wat adviseert de Advocaat-Generaal?

    De wet

    Met de Wet verbod pelsdierhouderij is het houden, doden of doen doden van een pelsdier verboden. Dit verbod geldt niet direct vanaf de inwerkingtreding van de wet. Voordat het verbod in zijn volle omvang zal gaan gelden, voorziet de wet in een uitfaseringsperiode tot 1 januari 2024. Met de uitfaseringsperiode wordt aan de pelsdierhouders compensatie in de vorm van tijd geboden. Daarnaast voorziet de wet in verschillende flankerende maatregelen op grond waarvan pelsdierhouders een tegemoetkoming kunnen ontvangen in bijvoorbeeld de kosten van sloop of ombouw van gebouwen.

    Eigendomsrecht

    Volgens de pelsdierhouders voorziet de wet in een zware inmenging in hun eigendom. Het eigendom wordt beschermd door artikel 1 van het Eerste Protocol van bij het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (ook wel artikel 1 EP genoemd). De mate waarin artikel 1 EP het eigendomsrecht beschermt is mede afhankelijk van de zwaarte van de inmenging. Naarmate een zwaardere inmenging in het eigendomsrecht plaatsvindt, dient een ruimere financiële compensatie te worden aangeboden om een fair balance te creëren. Onteigening betreft de meest vergaande vorm van inmenging. Minder vergaand is de regulering van eigendom waarbij slechts de gebruiksmogelijkheden van het eigendom worden beperkt. Een ander voorbeeld van inmenging in het eigendomsrecht betreft het wetsvoorstel fosfaatrechten melkveestapel. Meer informatie hierover vind je in het blog van Peter Goumans van 23 september 2016.

    Fair balance

    Onder meer de Nederlandse Federatie van Edelpelsdierenhouders (NFE) heeft het wettelijk verbod bij de rechter bestreden. Volgens de pelsdierhouders voorziet de wet in inmenging in het eigendomsrecht van de pelsdierhouders. De financiële compensatie die wordt geboden is volgens de pelsdierhouders onvoldoende om de inbreuk op het eigendomsrecht te rechtvaardigen. In dat licht is de inbreuk op het eigendom niet proportioneel, er is geen fair balance. Het wettelijk verbod is om die reden onverbindend, aldus de pelsdierhouders. In hoger beroep bij het gerechtshof ging het in de kern om de vraag of de inbreuk op het eigendomsrecht proportioneel is. Het gerechtshof overwoog (arrest van 10 november 2015) dat artikel 1 EP slechts het eigendom van de pelsdierhouders beschermd, voor zover deze bestaat uit grond, bedrijfsgebouwen, inventaris (zoals kooien), voorraden pelzen en nertsen. Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een fair balance kan dan ook volgens het hof geen rekening worden gehouden met het verlies aan toekomstige inkomsten. Het verbod ziet volgens het hof ook niet om de onteigening van die fysieke bedrijfsmiddelen maar op de regulering van eigendom.

    Het gerechtshof (arrest van 10 november 2015) laat in haar afwegingen tevens een rol spelen dat het wettelijk verbod al vele jaren voorzienbaar was. In 1999 heeft de Tweede Kamer immers een motie aanvaard dat op korte termijn het houden van pelsdieren moet worden verboden. Volgens het hof hadden pelsdierhouders kunnen uitbreiden of omschakelen naar andere sectoren indien zij dit hadden gewild. Het hof geeft vervolgens aan dat de pelsdierhouders door middel van een overgangsperiode (tot 1 januari 2024) voldoende in de gelegenheid worden gesteld op gedane investeringen terug te verdienen. De inbreuk op het eigendomsrecht is volgens het hof proportioneel.
     

    Advies aan Hoge Raad

    Tegen het arrest van het hof hebben de pelsdierhouders cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad. Volgens de pelsdierhouders is er sprake van onteigening van de waarde van hun ondernemingen. De toekomstige inkomsten of vrije kasstromen dienen volgens de pelsdierhouders eveneens te worden beschermd. Op grond van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens oordeelt de A-G dat toekomstige inkomsten niet worden beschermd door artikel 1 EP. Daarnaast is er volgens de A-G geen sprake van onteigening, maar regulering van eigendom. Na de volledige inwerkingtreding van het verbod zal een niet te verwaarlozen waarde van de afzonderlijke activa van de onderneming resteren. Zo kunnen de resterende bedrijfsmiddelen en de grond bijvoorbeeld een andere economische functie krijgen. Tot zover is de A-G het eens met het oordeel van het hof.

    De pelsdierhouders hadden bij het hof aangevoerd dat het verbod in individuele gevallen een excessieve last meebrengt, waardoor er geen sprake is van een fair balance. Volgens de A-G had het hof de pelsdierhouders in de gelegenheid moeten stellen om te bewijzen dat dit inderdaad het geval was.  Deze fout door het hof moet volgens de A-G worden hersteld. Indien de pelsdierhouders kunnen aantonen dat het verbod individuele pelsdierhouders buitenproportioneel raakt, valt volgens de A-G niet uit te sluiten dat de geboden compensatie onvoldoende is. De A-G adviseert de Hoge Raad het arrest van het hof te vernietigen en het hof nogmaals de zaak te laten behandelen.