blog

    Afwijkende gehaltes na mestscheiding rechtvaardigen geen mestboete!

    Peter Goumans
    Peter GoumansPublicatiedatum: 1 juni 2016
    Afwijkende gehaltes na mestscheiding rechtvaardigen geen mestboete!

    Vanwege in haar ogen verdachte aanvoer van pluimveemest komt een melkveehouderij in beeld bij de NVWA. De NVWA start met een onderzoek naar de naleving van de Meststoffenwet door de melkveehouderij. Als de melkveehouder ingedikte mest na mestscheiding afvoert, heeft de NVWA ernstige twijfels. De opgegeven gehaltes stikstof, fosfaat en droge stof zijn volgens de NVWA onwaarschijnlijk hoog en nagenoeg gelijk aan de aangevoerde pluimveemest. De afgevoerde rundveemest wordt daarom buiten de berekening van de mestafvoer gelaten met als gevolg dat overschrijding van de gebruiksnormen (dierlijke meststoffen, stikstof en fosfaat) plaatsvindt. Er volgt een mestboete van ruim € 40.000,00.  De Staatssecretaris van Economische Zaken neemt de bevindingen van de NVWA over en stelt zich op het standpunt dat geen mestscheiding heeft plaatsgevonden. De opgevoerde gehaltes fosfaat en stikstof zouden als daadwerkelijk mestscheiding zou hebben plaatsgevonden veel lager zijn geweest. Ook het drogestofgehalte wijkt af. De geconstateerde waardes komen volgens de Staatssecretaris bovendien nagenoeg overeen met die van de aangevoerde pluimveemest. In bezwaar handhaaft de Staatssecretaris zijn standpunt. En de rechtbank Oost-Brabant volgt de Staatssecretaris in beroep: er heeft geen mestscheiding plaatsgevonden. De melkveehouder laat het hierbij niet zitten en tekent hoger beroep aan bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

    Feiten in hoger beroep

    Het College van Beroep voor het bedrijfsleven vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant en ook de door de Staatssecretaris opgelegde mestboete. Een rol speelt daarbij dat de Staatssecretaris in hoger beroep zijn standpunt heeft gewijzigd naar de stelling dat mogelijk toch mestscheiding heeft plaatsgevonden. Door het vele bewijsmateriaal van de mestscheiding dat de melkveehouder op tafel legde, viel ook niet meer vol te houden dat geen mestscheiding had plaatsgevonden. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven kapittelt de Staatssecretaris. De procedure verzet zich ertegen dat in hoger beroep een ander feitencomplex wordt gepresenteerd dan waartegen de melkveehouder zich bij de rechtbank heeft moeten verweren.

    Bewijslastverdeling

    Het College van Beroep voor het bedrijfsleven overweegt vervolgens dat uit het systeem van artikel 7 en 8 van de Meststoffenwet volgt dat de wettelijke regeling uitgaat van een algeheel verbod om mest op of in de bodem te brengen. Is voldaan aan de voorwaarden voor verantwoorde afzet van mest, dan geldt het verbod niet. De bewijslast voor naleving van de gebruiksnormen ligt daarom primair bij de veehouder. Daarbij regelt de wet hoe wordt bepaalt hoeveel stikstof en fosfaat op of in de bodem is gebracht, maar ook hoe de mestboekhouding wordt ingericht. Dat neemt niet weg dat met andere middelen kan worden aangetoond dat de gebruiksnormen niet zijn overschreden. En bovendien moet de Staatssecretaris overtredingen met concrete feiten en omstandigheden aantonen.

    Wel of geen mestscheiding?

    In de kern ging het in deze zaak dus om de vraag of de melkveehouder aannemelijk heeft gemaakt dat (1) mestscheiding heeft plaatsgevonden en dat (2) het resultaat daarvan, de dikke fractie van rundveemest, is afgevoerd. Op basis van verklaringen (onder ede gehoord tijdens de zitting) van de loonwerker, medewerkers van het loonbedrijf en een buurman raakt het College van Beroep voor het bedrijfsleven overtuigd van het feit dat daadwerkelijk mestscheiding heeft plaatsgevonden en de dikke fractie van de rundveemest is afgevoerd. Daaraan doet niet af dat de gehaltes stikstof, fosfaat en droge stof in de afgevoerde mest duidelijk hoger zijn dan de waarden die de Staatssecretaris hanteert. Daaruit kan niet worden afgeleid dat er geen mestscheiding heeft plaatsgevonden. Omdat de Staatssecretaris niet had gesteld dat ook als de afvoer van de dikke fractie wel in de berekening was betrokken er toch overschrijding van de gebruiksnormen zou hebben plaatsgevonden, is er geen sprake van een overtreding van artikel 7 van de Meststoffenwet en ontbreekt de bevoegdheid om een mestboete op te leggen. Waar de Staatssecretaris zich steeds heeft laten leiden door sterk afwijkende gehaltes en mestscheiding om die reden onmogelijk achtte, volgt het College van Beroep voor het bedrijfsleven zuiver de wettelijke regeling en de wetsgeschiedenis. Een juiste inschatting van de bewijslastverdeling leidt dus voor de melkveehouder uiteindelijk tot succes.