blog

    Artikel 19j Nbw 1998 en bestemmingsplan

    Teun VerstappenPublicatiedatum: 20 juni 2016Laatste update: 14 augustus 2019
    Artikel 19j Nbw 1998 en bestemmingsplan

    Op 1 juni 2016 heeft de Raad van State een belangrijke uitspraak gedaan over de toepassing van artikel 19j van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw) (de habitattoets) bij een bestemmingsplan. In deze uitspraak zet de Raad van State het juridisch kader uiteen.

    Één-op-één inpassing Nbw-vergunning in bestemmingsplan

    De Raad van State bevestigt nogmaals dat het mogelijk is een onherroepelijke Nbw-vergunning één-op-één in te passen in een bestemmingsplan. Hiervoor is noodzakelijk dat het bestemmingsplan niet méér mogelijk maakt dan hetgeen door de Nbw-vergunning is toegestaan. Dit dient in de planregels van het bestemmingsplan geborgd te zijn. Indien in de planregels verwezen wordt naar de Nbw-vergunning, dient duidelijk te zijn welke Nbw-vergunning precies bedoeld wordt. Dit kan duidelijk worden gemaakt door te verwijzen naar datum en kenmerk van de betreffende Nbw-vergunning.

    Indien een één-op-één-inpassing aan voorgaande vereisten voldoet, hoeft voor het bestemmingsplan geen passende beoordeling te worden gemaakt. Zie in dit verband mijn blog Eén-op-één-inpassing Nbw-vergunning in bestemmingsplan.

    De Raad van State oordeelt verder dat bij de toetsing aan artikel 19j Nbw bij de vaststelling van het bestemmingsplan geen rekening mag worden gehouden met Nbw-vergunningen die gedurende de planperiode van het bestemmingsplan verleend zullen worden. Hiermee wordt de verplichte toetsing aan artikel 19j Nbw namelijk ‘vooruitgeschoven’. Dit is niet toegestaan, omdat hierdoor bij de vaststelling van het bestemmingsplan niet de vereiste zekerheid bestaat dat het bestemmingsplan geen significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden zal hebben.

    Referentiesituatie

    De Raad van State oordeelt dat de gevolgen voor de Natura 2000-gebieden van het gebruik dat het bestemmingsplan maximaal mogelijk maakt in het kader van de toetsing aan artikel 19j Nbw afgezet dient te worden tegen “de feitelijke en planologisch legale situatie ten tijde van de vaststelling van het plan” (de referentiesituatie). Beoordeeld dient te worden of het nieuwe bestemmingsplan planologisch meer ammoniakdepositie mogelijk maakt dan de ammoniakdepositie in de referentiesituatie.

    Het is opmerkelijk dat de Raad van State spreekt van “de feitelijke en planologisch legale situatie ten tijde van de vaststelling van het plan”. Leest men deze formulering letterlijk, dan lijkt niet vereist te zijn dat het feitelijk, planologische legale gebruik ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan milieurechtelijk ook legaal diende te zijn. In de eerdere jurisprudentie ging de Raad van State hiervan wel uit. Het is dus de vraag of met de formulering een wijziging in de jurisprudentie ten aanzien van de definitie van de referentiesituatie is beoogd. Ik denk dat dit niet het geval is, maar het is wachten op nieuwe jurisprudentie om deze vraag met zekerheid te beantwoorden.

    De Raad van State overweegt tot slot expliciet dat de gemeenteraad in de toets aan artikel 19j Nbw (in het planspoor) voor de referentiesituatie niet kan uitgaan van “hetgeen op de referentiedata voor de betrokken Natura 2000-gebieden is vergund krachtens de Wet milieubeheer of de daaraan voorafgaande Hinderwet”.