blog

    Burenhulp leidt tot bestuurlijke boete

    Peter Goumans
    Peter GoumansPublicatiedatum: 23 oktober 2015
    Burenhulp leidt tot bestuurlijke boete

    Voor het weiden van zijn paarden heeft een particulier bijna 5 ha grond tot zijn beschikking. Zijn buurman (varkenshouder) vraagt hem om op dat land zeugenmest te mogen uitrijden. De varkenshouder kan zo zijn mest kwijt en de paardenhouder krijgt zijn grasland gratis bemest. De paardenhouder stemt toe: goed nabuurschap. De varkenshouder schakelt daarop een loonwerker in. Die kosten neemt de varkenshouder voor zijn rekening. De paardenhouder krijgt verder geen vergoeding. Bij de paardenhouder valt een jaar later een bestuurlijke boete op de mat van bijna € 5.000,00 vanwege overschrijding van de gebruiksnorm dierlijke meststoffen en de fosfaatgebruiksnorm (overtreding artikel 7 en 8 Meststoffenwet). Daar is hij niet blij mee.

    Bezwaar en beroep

    In bezwaar krijgt de paardenhouder geen poot aan de grond. Daarom gaat hij in beroep bij de rechtbank Gelderland. Daar haalt hij alles uit de kast. Hij voert aan dat hij geen agrarisch ondernemer is, maar slechts hobbymatig paarden houdt, dat hij geen kennis heeft van de Meststoffenwet, dat sprake is van goed nabuurschap en tot slot dat hij geen economisch voordeel heeft gehad van de aanvoer van mest. De paardenhouder bestrijdt niet dat de gebruiksnormen dierlijke meststoffen en fosfaat zijn overtreden. Hij zet in op matiging van de boete.

    De rechtbank matigt de boete

    Bij uitspraak van 10 september (gepubliceerd op 7 oktober) 2015 doet de rechtbank Gelderland uitspraak. De rechtbank matigt de boete. Hoe komt de rechtbank tot dit oordeel?

    De rechtbank stelt voorop dat het hobbymatig houden van paarden is aan te merken als veehouderij en dus als landbouw in de zin van de Meststoffenwet. Volgens de rechtbank is er daarom ook sprake van een bedrijf in de zin van de Meststoffenwet. Een winstoogmerk is geen vereiste om als bedrijf te worden aangemerkt. Dat volgt uit de definities die de Meststoffenwet hanteert. Niet ter discussie stond dat de gebruiksnormen door de paardenhouder waren overschreden. Dat levert de Staatssecretaris (Economische Zaken) de bevoegdheid op om een boete op te leggen. Daarmee komt de rechtbank voor de vraag te staan of de opgelegde boete in dit geval evenredig is. Dit beoordeelt de rechtbank op grond van de aard en ernst van de overtreding, de mate waarin de paardenhouder een verwijt te maken valt en de omstandigheden van het geval.

    Het verweer dat hij de Meststoffenwet niet kent, helpt de paardenhouder niet. Bij de aanvoer van mest op eigen gronden geldt een eigen verantwoordelijkheid. De rechtbank vindt dat de paardenhouder navraag had kunnen doen over de gevolgen van de aanvoer van mest. Goede trouw en het ontbreken van opzet acht de rechtbank niet relevant. De rechtbank overweegt vervolgens dat het niet hebben van economisch voordeel op zich geen grond oplevert voor matiging van de boete. Op grond van andere omstandigheden ziet de rechtbank wél aanleiding om de boete te matigen. De rechtbank vindt het van belang dat de paardenhouder geen vergoeding heeft gekregen voor het afnemen van mest. Dat sprake zou kunnen zijn van een iets hogere grasopbrengst weegt naar het oordeel van de rechtbank niet zwaar. Zeker niet waar het gaat om hobbymatige activiteiten. De rechtbank stelt bovendien vast dat het de eerste keer is dat de paardenhouder de Meststoffenwet overtreedt, hij alle medewerking aan de controle heeft verleend en hij de overtreding ook niet heeft betwist. En daarbij laat de rechtbank een rol spelen dat de paardenhouder compensatie heeft toegezegd door de komende jaren geen mest aan te voeren. De paardenhouder trok dus het boetekleed aan. En dat laat de rechtbank zwaar wegen.

    Gelet op de omstandigheden van het geval matigt de rechtbank de boete met 50%. Een verdergaande matiging acht de rechtbank niet geboden. De rechtbank verwijst daartoe naar de eigen verantwoordelijkheid van de paardenhouder.

    Waarschuwing

    De rechtbank brengt de boete terug tot ruim € 2.300,00. Een aardig prijskaartje voor goed nabuurschap. De paardenhouder zal uit de uitspraak van de rechtbank zeker zijn conclusies trekken. In de praktijk komen vergelijkbare situaties veelvuldig voor. Houd daarbij de zaak van deze paardenhouder in het achterhoofd!