blog

    De verhouding tussen de Wet geurhinder en veehouderij en het geurbeheersplan (BBT)

    Dianne Jennissen
    Dianne Jennissen Publicatiedatum: 27 januari 2021 Laatste update: 28 januari 2021
    Afbeelding voor De verhouding tussen de Wet geurhinder en veehouderij en het geurbeheersplan (BBT)

    Stel: er wordt een omgevingsvergunning (onderdeel milieu) aangevraagd voor de uitbreiding van een varkenshouderij. De geuremissie zal toenemen, maar er wordt (nog altijd) voldaan aan de – kort gezegd – geurnormen uit de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: ‘Wgv’). Kan het bevoegd gezag desondanks eisen dat een ‘geurbeheersplan’ dat als ‘best beschikbare techniek’ wordt voorgeschreven, door de initiatiefnemer wordt opgezet, uitgevoerd en geëvalueerd?

    Uitleg BBT

    Eerst kort iets over deze beste beschikbare technieken (hierna: ‘BBT’). Het toetsingskader voor de omgevingsvergunning milieu staat in artikel 2.14 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: ‘Wabo’). Op grond van artikel 2.14, lid 1, sub c Wabo dient het bevoegd gezag bij de beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning milieu, in ieder geval in acht te nemen dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende BBT worden toegepast. Deze BBT staan beschreven in BREF-documenten en BBT-conclusies of BBT-documenten.

    BBT-conclusie intensieve pluimvee- of varkenshouderij

    In de BBT-conclusie voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij (meer dan 40.000 pluimvee, 2000 mestvarkens of 750 zeugen) wordt over geuremissies het volgende geschreven:

    “1.9. Geuremissies

    BBT 12. Om geuremissies van een boerderij te voorkomen of, indien dat niet haalbaar is, te verminderen, is de BBT, als onderdeel van het milieubeheersysteem (zie BBT 1), een geurbeheersplan opzetten, uitvoeren en regelmatig evalueren met daarin de volgende elementen:

    • i. een protocol met passende acties en tijdschema’s;
    • ii. een protocol voor de monitoring van geur;
    • iii. een protocol voor de reactie op geconstateerde geurhinder;
    • iv. een programma voor de voorkoming en eliminatie van geur om bijvoorbeeld de bron(nen) op te sporen, de geuremissies te monitoren (zie BBT 26), de bijdragen van de bronnen te karakteriseren en maatregelen voor de eliminatie en/of vermindering van geuremissies te nemen; 
    • v. een herziening van de historische geurincidenten en corrigerende maatregelen en de verspreiding van kennis over geurincidenten. (…)

    Toepasbaarheid

    BBT 12 is alleen toepasbaar in gevallen waar geurhinder bij gevoelige receptoren wordt verwacht en/of is onderbouwd.”.

    Indien derhalve geurhinder bij ‘gevoelige receptoren wordt verwacht’ volgt uit de BBT dat een – kort gezegd – geurbeheersplan moet worden opgezet, moet worden uitgevoerd en moet worden geëvalueerd.

    Uitspraken Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

    Het in de inleiding genoemde voorbeeld, was het afgelopen jaar in (ten minste) een tweetal uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ‘de Afdeling’) aan de orde. In beide gevallen was sprake van een uitbreiding van een varkenshouderij waarbij werd voldaan aan de Wgv. Er was echter geen geurbeheersplan voorgeschreven. Appellanten voerden dan ook aan dat niet aan BBT 12 was voldaan. Was dat wel nodig om te kunnen voldoen aan artikel 2.14 Wabo?

    Nee. In haar uitspraak van 22 juli 2020 overwoog de Afdeling dat de Wgv het exclusieve toetsingskader vormt voor de beoordeling van geurhinder vanwege de stallen van de inrichting. In het voorliggende geval was sprake van een reeds ‘overbelaste situatie’ (er werd niet voldaan aan de geurnormen uit de Wgv), maar door toepassing een luchtwassysteem werd de geurbelasting kleiner. Op grond van artikel 3, lid 4 Wgv (waarmee bestaande rechten worden beschermd) bestond geen aanleiding om de omgevingsvergunning te weigeren. Volgens de Afdeling kon het college de gevraagde vergunning dan ook niet weigeren vanwege de geuremissies vanuit de stallen van de inrichting en kon het college geen lagere geurbelasting eisen door het voorschrijven van een geurbeheersplan. Daarmee zou immers feitelijk de Wgv buiten toepassing worden gelaten. De Afdeling concludeert dan ook dat als wordt voldaan aan de Wgv, ervan moet worden uitgegaan dat er geen sprake is van ‘geurhinder bij gevoelige receptoren’, zodat BBT 12 niet van toepassing is.

    Bij uitspraak van 23 december 2020 preciseert de Afdeling haar voornoemde uitspraak. In haar eerdere uitspraak had zij geen aandacht besteed aan artikel 2, lid 2 Wgv waaruit – kort weergegeven – volgt dat het exclusieve toetsingskader van de Wgv niet geldt indien de omgevingsvergunning milieu op grond van artikel 2.14, lid 1, onder c Wabo wordt geweigerd omdat niet ten minste de BBT worden toegepast. De Afdeling wijst er – wederom – op dat BBT 12 alleen toepasbaar is in gevallen waar geurhinder bij gevoelige receptoren wordt verwacht en/of is onderbouwd. In dit geval is aan de geurnormen uit de Wgv voldaan. Door appellanten is niet onderbouwd of anderszins aannemelijk gemaakt dat niettemin sprake is van geurhinder bij gevoelige receptoren. BBT 12 is volgens de Afdeling dan ook in dit geval niet van toepassing en derhalve staat artikel 2.14, lid 1, onder c Wabo niet aan vergunningverlening in de weg.

    Het is de vraag hoe de Afdeling na deze ‘nadere precisering’ aankijkt tegen situaties zoals aan de orde in de uitspraak van 22 juli 2020. In dat geval werd immers voldaan aan de Wgv, maar was wél sprake van een hogere geurbelasting dan daarin wordt voorgeschreven. Kan in dat geval wel sprake zijn van ‘geurhinder bij gevoelige receptoren’ waarop BBT 12 van toepassing is? En indien dat het geval is en derhalve een geurbeheersplan van initiatiefnemer mag worden verlangd, kan daar dan inderdaad een (feitelijk) lagere geurbelasting mee worden bewerkstelligd? Nadere jurisprudentie van de Afdeling zal dit uit moeten wijzen.

    Conclusie

    Enkel indien aannemelijk wordt gemaakt dat sprake is van ‘geurhinder bij gevoelige receptoren’ is BBT 12 van toepassing en kan een geurbeheersplan worden voorgeschreven. Daarmee kán het exclusieve toetsingskader van de Wgv aan de kant worden gezet. Het zal echter niet meevallen dergelijke geurhinder aannemelijk te maken indien wordt voldaan aan de normen uit de Wgv. Dat ligt wellicht anders indien wordt voldaan aan de Wgv omdat sprake is van ‘bestaande rechten’ (zie artikel 3, lid 3 en 4 Wgv), maar wel sprake is van een overschrijding van de daarin opgenomen geurnormen (of afstanden). De vraag is dan echter wat met het (verlangen van een) geurbeheersplan kan worden bewerkstelligd.

    Heb je vragen over dit onderwerp? Neem dan contact op met mij of een van onze andere specialisten op het gebied van agrarisch omgevingsrecht.

    Mag ik je op de hoogte houden?

    Schrijf je in voor onze blog updates

    Afbeelding voor Lotte van Dinteren