blog

    Een paard kopen voor de Olympische Spelen: consumentenkoop of niet?

    José Jochemsen-Vernooij
    José Jochemsen-VernooijPublicatiedatum: 22 september 2020
    Een paard kopen voor de Olympische Spelen: consumentenkoop of niet?

    Bij de aankoop van paarden is vaak sprake is van een consumentenkoop, waarop de regels van de consumentenkoop van toepassing zijn. Die regels beschermen de consument als de koper meent dat het paard niet geschikt is voor het doel waarvoor het paard is aangeschaft. Denk daarbij aan het vermoeden dat de zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt. Hiermee komt de wetgever de koper tegemoet in het mogelijke bewijsprobleem rondom een gebrek die al bestond op het moment van aflevering. Het gebrek moet zich dan binnen zes maanden na de levering manifesteren.

    Echter, wat nu als er geen sprake is van een consumentenkoop en de beschermende regels niet aan de orde zijn?

    Stel: je hebt als ruiter olympische ambities en je koopt een paard. Je merkt echter al snel dat het paard niet geschikt is. Kun je je dan beroepen op het wettelijk vermoeden van non-conformiteit uit artikel 7:18 BW? Of is er in dat geval geen sprake van een consumentenkoop en komt je geen beroep op dit wettelijk vermoeden toe?

    Deze vragen komen aan de orde in het kort geding vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant, waarbij de aankoop van een sportpaard niet werd gezien als consumentenkoop.

    Vereisten voor een consumentenkoop

    Een consumentenkoop is een koop met betrekking tot een roerende zaak die wordt gesloten door een verkoper die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. De koper is een natuurlijk persoon, die handelt voor doeleinden buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit. Zo bepaalt artikel 7:5 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW).

    • Er moet dus sprake zijn van een koopovereenkomst met betrekking tot een roerende zaak, zoals een paard ook is.
    • De koper moet een natuurlijk persoon zijn én niet handelen in uitoefening van een beroep of bedrijf;
    • De verkoper moet wel handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf.

    Wel of geen consumentenkoop

    Vaak is vrij snel duidelijk of een situatie aan deze voorwaarden voldoet en of er sprake is van een consumentenkoop. Maar hoe beoordeel je dit nu bij een twijfelgeval?

    Neem nu het volgende voorbeeld. Stel: je koopt een paard bij een privé stal, die geen inschrijving heeft in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel, maar waarvan de eigenaar wel als zeer deskundig te boek staat en zeer regelmatig paarden koopt. Handelt deze verkoper in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf? Veelal moet op grond van alle omstandigheden van het geval bekeken worden of er sprake is van een consumentenkoop. Op voorhand is dan dus niet duidelijk of er nu wel of geen sprake is van een consumentenkoop.

    Aanvullende schriftelijke afspraken in de koopovereenkomst

    Partijen kunnen natuurlijk altijd de schriftelijke koopovereenkomst daarop aanpassen door aan te geven of partijen consumenten zijn of niet en voor welk doel het paard is aangeschaft. Daarbij wil een verkoper vooral zijn risico’s beperken door een duidelijke omschrijving van het gebruiksdoel van het paard op te nemen. Maar bijvoorbeeld ook welk deskundig advies door de verkoper is verstrekt, op welk niveau het paard uit is gekomen en een omschrijving van de bekende eigenschappen van het paard. Een koper wil eerder bij een niet-professionele (en dus eveneens consument) verkoper nadere afspraken maken over de mogelijkheden als een paard toch niet blijkt te beantwoorden aan de overeenkomst.

    Sportpaard voor deelname Olypische Spelen ≠ consumentenkoop

    Op 31 augustus 2020 heeft de rechtbank Oost-Brabant geoordeeld dat in deze specifieke situatie er geen sprake is van een consumentenkoop bij de aankoop van het paard. Partijen zijn het er over eens dat de verkoper bij de koop heeft gehandeld in het kader van de door hem gedreven onderneming die zich bezig houdt met de handel in sportpaarden. Ook staat vast dat de koopovereenkomst betrekking heeft op een roerende zaak. Waarom de rechter hier dan toch oordeelt dat er geen sprake is van een consumentenkoop licht ik toe.

    Hobbymatig of beroeps- of bedrijfsmatig

    De koper betoogt het paard in het kader van zijn hobby, de paardenspringsport, te hebben aangekocht. Hij is een student en neemt met veel succes deel aan (internationale) springwedstrijden. Hij drijft geen onderneming die handelt in springpaarden. Deze laatste omstandigheid betekent echter op zichzelf nog niet dat koper daarmee kwalificeert als consument in de zin van artikel 7:5 lid 1 BW.

    Beoordeling rechtbank: maatstaf voor beoordeling beroeps- of bedrijfsactiviteit

    Aan de rechter is om te beoordelen of de koper het paard heeft aangekocht voor doeleinden gelegen buiten zijn beroeps- of bedrijfsactiviteit. Deze maatstaf valt uiteen in twee onderdelen:

    A. draagt de uitoefening van de ruitersport door koper een beroeps- of bedrijfsmatig karakter en

    B. zo ja: heeft de aankoop van het paard plaatsgevonden voor doeleinden buiten dat kader.

    A. Beroeps- of bedrijfsmatige beoefening van de ruitersport

    De rechter stelt vast dat de koper een fanatieke beoefenaar van de springpaardensport is. Hij heeft zelfs zijn medicijnenstudie onderbroken om zich volledig te kunnen richten op de springruitersport. Hij bekwaamt zich, met steun van zijn ouders, (verder) in de springsport om ervaring op te doen en deel te kunnen nemen aan springconcoursen op niveau.

    Hij neemt enkele jaren met grote regelmaat en succesvol deel aan internationale springconcoursen in Europa, maar ook in het Midden-Oosten. Koper maakt verder deel uit van het olympische team dat zich heeft gekwalificeerd voor deelname aan de olympische spelen. Ook beschikt koper zelf over meerdere springpaarden die door een vaste verzorger worden verzorgd. Hij berijdt ook paarden van (internationale) springpaardenhouders. Koper heeft ook meerdere sponsors.

    Beroepsmatig karakter en geen vorm van vrijtijdsbesteding

    De rechter is van oordeel dat op grond van deze opsomming over de uitoefening van de paardensport door koper de conclusie is dat de uitoefening van de (spring-)paardensport door koper een beroepsmatig karakter draagt. Het kan niet worden gezien als een vorm van vrijetijdsbesteding.

    B. Doeleinden buiten of binnen beroeps- of bedrijfsmatige kader

    Bij de inschatting of de aankoop van het paard heeft plaatsgevonden in het kader van deze (beroepsmatige) uitoefening van de springruitersport, is het standpunt van koper van belang. Koper heeft hier zelf een positief antwoord op gegeven. Hij heeft het paard aangekocht om dit dier zelf als springruiter te kunnen gebruiken voor de (hogere) springsport. Bovendien is ter zitting door de advocaat van koper aangegeven dat het paard zelfs was aangekocht met het oogmerk om met dit paard deel te nemen aan de Olympische Spelen.

    Vermoeden van non-conformiteit

    Naar het voorlopig oordeel van de rechter kan de aankoop van het paard door de koper niet worden aangemerkt als een consumentenkoop. Hierdoor komt de koper geen beroep toe op de specifiek voor consumentenkoop geschreven beschermende bepalingen. Denk daarbij aan artikel 7:18 BW; het vermoeden dat het paard niet aan de overeenkomst beantwoord, omdat het gebrek zich binnen zes maanden na de levering manifesteert. Er wordt dan aangenomen dat het gebrek al bestond op het moment van aflevering.

    Kort geding vs bodemprocedure

    De rechter wijst erop dat in dit kort geding vooralsnog niet met voldoende mate van zekerheid valt vast te stellen of het paard ten tijde van de koop inderdaad (zoals koper stelt) niet die eigenschappen bezat die noodzakelijk zijn voor het beoogde gebruik als springpaard. Om duidelijkheid te verkrijgen zal nader deskundigen- en (wellicht) getuigenbewijs nodig zijn, waarvoor in dit kort geding geen plaats is.

    Conclusie

    De uitspraak maakt eens en te meer duidelijk dat een kort geding zich niet leent voor vergaand onderzoek naar de geschiktheid van een zaak. Bestaan er twijfels of er sprake is van non-conformiteit dan biedt een bodemprocedure veelal mee mogelijkheden voor partijen.

    Bovendien volgt uit deze uitspraak de relevantie van het wel of niet zijn van een consumentenkoop. Is daar geen sprake van, dan kan de koper geen beroep doen op beschermende bepalingen die speciaal voor die gevallen zijn geschreven, zoals het vermoeden van non-conformiteit als een gebrek zich binnen zes maanden na de levering voordoet.

    Heb je vragen met betrekking tot conformiteitszaken, het wettelijke vermoeden of hippisch recht, neem dan contact met mij op.