blog

    Flexplekken in ligboxenstal

    Peter Goumans
    Peter GoumansPublicatiedatum: 22 februari 2016
    Flexplekken in ligboxenstal

    Bij controles op een melkveebedrijf constateert de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) overbezetting van de stallen. Er zijn meer koeien dan ligplaatsen. De overbezetting is in sommige stallen zelfs meer dan 200%. De staatssecretaris van Economische Zaken meent dat daartegen moet worden opgetreden. De betrokken veehouder wordt aangeschreven met een last onder dwangsom. De veehouder moet van de staatssecretaris maatregelen treffen om te voorkomen dat de bewegingsvrijheid van de koeien niet zodanig wordt beperkt dat deze onnodig lijden en/of letsel wordt toegebracht. De staatssecretaris doet daartoe een beroep op artikel 1.3 van de Wet dieren en artikel 1.6 van het Besluit houders van dieren. In die bepalingen leest de veehouder echter niet dat elke koe een eigen ligplaats moet hebben of dat alle koeien gelijktijdig moeten kunnen liggen. Daarom vraagt hij het oordeel van het College van Beroep voor het bedrijfsleven over deze kwestie.

    Intrinsieke waarde van het dier

    Het College van Beroep voor het bedrijfsleven is bepaald niet snel klaar met een oordeel over de beroepszaak. De uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven is zeer uitgebreid gemotiveerd. In artikel 1.3 van de Wet dieren vindt het College van Beroep voor het bedrijfsleven na wikken en wegen geen houdbare grondslag voor de last onder dwangsom. Dit artikel gaat immers over de intrinsieke waarde van dieren en bevat volgens het College geen zelfstandige en handhaafbare gedragsnorm gericht aan veehouders. Dit artikel bevat juist een norm voor de overheid zelf bij het formuleren van regels en het nemen van besluiten ter zake van het houden van dieren en de daarbij te maken afweging van belangen. De aanschrijving van de melkveehouder kan daarom niet op deze wettelijke bepaling worden gebaseerd.

    Bewegingsruimte

    Artikel 1.6 lid 2 van het Besluit houders van dieren bepaalt dat een dier voldoende ruimte wordt gelaten voor zijn fysiologische en ethologische behoeften. Behalve voor kalveren bevat het Besluit houders van dieren geen specifieke regels voor de huisvesting van runderen. Het door de staatssecretaris aangegrepen wetsartikel wordt door het College van Beroep voor het bedrijfsleven geduid als een doelvoorschrift in de vorm van een algemene verplichting voor veehouders. In een concreet geval zal de staatssecretaris met bewijs moeten onderbouwen dat onvoldoende ruimte aan de dieren wordt geboden. Dat kan door wetenschappelijk onderzoek of door Gidsen voor goede praktijken (zoals de Sectorraad Paarden die bijvoorbeeld heeft opgesteld). Het College van Beroep voor het bedrijfsleven oordeelt dat de staatssecretaris er niet in is geslaagd om aan te tonen dat elk rund op het bedrijf van de melkveehouder gelijktijdig moet kunnen beschikken over één (beschutte) ligplaats. Ook het Besluit houders van dieren biedt dus geen grondslag voor actie tegen de melkveehouder. Het beroep van de melkveehouder is daarmee succesvol.

    Flexplekken?

    Op de een of andere manier doet deze zaak mij aan het moderne kantoor denken. De omvang van zo’n kantoor is afgestemd op de gemiddelde personeelsbezetting. Niet iedereen heeft in dat concept een eigen werkplek. Je gaat zitten op de plek die vrij is als je het kantoor binnenstapt: flexplekken. De Wet dieren en het Besluit houders van dieren staan een dergelijk concept ook toe voor ligboxenstallen. Totdat uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat koeien niet voor dit concept zijn geschapen.