Geur- en ammoniakrendement combi-luchtwassers lager dan verwacht; gewijzigde Rgv en Rav in werking getreden

Geur- en ammoniakrendement combi-luchtwassers lager dan verwacht; gewijzigde Rgv en Rav in werking getreden

Thema's: Agrarisch omgevingsrecht, Mest en geur, Omgevingsrecht, Volksgezondheid, Bestuurs(proces)recht

26 juli 2018

Zoals ik in een eerder blog al schreef, is in opdracht van het (toenmalige) Ministerie van Infrastructuur en Milieu in 2016 door Wageningen University & Research (WUR) een onderzoek gestart naar de rendementen voor geurverwijdering van luchtwassers. Het eerste deel van dit onderzoek werd eind maart van dit jaar bekend gemaakt. Gebleken is dat de gecombineerde luchtwassers slechter presteren dan men had voorzien. In reactie op de verschenen onderzoeksresultaten heeft het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat op 1 mei 2018 een conceptregeling tot wijziging van de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) en de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav) vrijgegeven voor internetconsultatie. Op 20 juli 2018 zijn de gewijzigde Rgv en Rav in werking getreden.

Geurreductiepercentages gecombineerde luchtwassers voorlopig gelijkgesteld met die van enkelvoudige luchtwassers

De Staatsecretaris van Infrastructuur en Waterstaat heeft besloten om de geurreductiepercentages van gecombineerde luchtwassystemen in de Rgv voorlopig gelijk te stellen aan die van enkelvoudige luchtwassystemen. Het geurreductiepercentage van de gecombineerde luchtwassystemen is daarmee gezet op het niveau dat (momenteel) aantoonbaar minimaal in de praktijk kan worden gehaald. Hiermee wordt voorkomen dat bij nieuwvestiging of uitbreiding van veehouderijen de geuremissie wordt berekend met te lage geuremissiefactoren, waardoor omwonenden van de deze (nieuwe) veehouderijen kunnen worden blootgesteld aan een te hoge geurbelasting.

De staatssecretaris geeft in de toelichting bij de Regeling tot wijziging van de Rav en Rgv aan dat wanneer overtuigend en met waarborgen omkleed wordt aangetoond dat bepaalde luchtwassystemen beter kunnen presteren dan de huidige rendementen, de Rgv daarop wordt aangepast.

Gevolgen voor veehouders

In mijn eerdere blog schreef ik over de gevolgen voor veehouders van de voorgenomen wijziging van de emissiefactoren. Het overgangsrecht in de definitieve regeling is ten opzichte van de conceptregeling niet gewijzigd. Enkel ten aanzien van veehouderijen waarvoor de vergunningplicht van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht niet geldt en die vallen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer, is in de gewijzigde Rgv in overgangsrecht voorzien. Om de gevolgen van de gewijzigde emissiefactoren in beeld te brengen, dient dan ook onderscheid te worden gemaakt tussen de volgende situaties:

Vergunningplichtige veehouderijen met een combi-luchtwasser:

  • bestaande veehouderijen: voor hen verandert er in beginsel niets. Zolang zij de inrichting niet veranderen, mogen zij in beginsel blijven handelen in overeenstemming met hun vergunning. Pas bij een toekomstige aanvraag voor een wijziging van de veehouderij krijgen zij te maken met een hogere berekende geurbelasting van de bestaande inrichting;
  • nieuwe bedrijven en uitbreidingen van bestaande bedrijven die reeds een omgevingsvergunning milieu hebben aangevraagd voor een nieuw huisvestingssysteem of een uitbreiding van een bestaand huisvestingssysteem, maar waarvoor deze vergunning nog niet is verleend: voor hen kan de wijziging van emissiefactoren gevolgen hebben. In de definitieve regeling tot wijziging van de Rgv is geen overgangsrecht voor lopende aanvragen bij vergunningplichtige veehouderijen opgenomen. De gewijzigde emissiefactoren voor geur die per 20 juli 2018 in werking zijn getreden, gelden dus ook als er een omgevingsvergunning milieu is aangevraagd onder het ‘oude regime’, maar deze vergunning nog niet is verleend. Bij het nemen van het besluit op de aanvraag moet de geurbelasting van de gehele veehouderij berekend worden met de nieuwe emissiefactoren. Worden hierdoor de geldende geurnormen uit de Wet geurhinder en veehouderij overschreden, dan kan dat leiden tot een afwijzing van de aanvraag;
  • nieuwe bedrijven en uitbreidingen van bestaande bedrijven die ná de wijziging van de Rgv (20 juli 2018) een aanvraag om omgevingsvergunning indienen: voor hen wordt gerekend met hogere emissiefactoren. Hierdoor krijgen zij te maken met een hogere berekende geurbelasting. Indien daardoor de geurnorm wordt overschreden, zullen meer maatregelen moeten worden genomen om de geurbelasting naar beneden te brengen, wil uitbreiden nog mogelijk zijn.

Veehouderijen met een combi-luchtwasser die vallen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer:

  • bestaande veehouderijen: voor hen verandert er in beginsel niets. Zolang de inrichting niet wordt veranderd, blijven de oude emissiefactoren in beginsel gelden;
  • nieuwe bedrijven en uitbreidingen van bestaande bedrijven: voor deze bedrijven is in de regeling tot wijziging van de Rgv wel voorzien in overgangsrecht. Voor de bedrijven die vóór 1 mei 2018 reeds een aanvang hebben gemaakt met het oprichten of veranderen van de veehouderij, wordt gerekend met de ‘oude’ geuremissiefactoren. Anders dan bij vergunningplichtige bedrijven, wordt bij deze veehouderijen immers niet vóór oprichting of verandering getoetst of voldaan wordt aan de geldende geurnorm. Pas na afloop van de oprichting of verandering moeten deze veehouderijen aan de geurnormen van het Activiteitenbesluit milieubeheer voldoen. Met het opnemen van overgangsrecht wordt blijkens de toelichting  voorkomen dat voor die bedrijven die al een aanvang hebben gemaakt met de oprichting of verandering op het moment dat bekend werd dat de emissiefactoren voor geur zouden worden aangepast, gedane investeringen moeten worden teruggedraaid. De duur van dit overgangsrecht is beperkt tot 1 juli 2019. Tot deze datum wordt geurbelasting berekend met de oude geuremissiefactor. Blijkens de toelichting bij dit artikel wordt hiermee aan bedrijven de gelegenheid geboden om de oprichting of verandering van een veehouderij te voltooien en wordt tegelijkertijd voorkomen dat omwonenden onnodig lang geconfronteerd kunnen worden met nieuwe gevallen met een hogere geurbelasting vanwege de toepassing van oude emissiefactoren. Er is dus enkel sprake van tijdelijk overgangsrecht. Deze bedrijven worden vanaf 1 juli 2019 ook geconfronteerd met de gewijzigde emissiefactoren. Zij krijgen echter wat langer de tijd om hun bedrijfsvoering op de gewijzigde emissiefactoren aan te passen. Mijns inziens rijmt dit niet geheel met de overweging die aan het opnemen van dit overgangsrecht ten grondslag is gelegd: voorkomen dat gedane investeringen terug moeten worden gedraaid. Door de tijdelijkheid van het overgangsrecht dienen deze bedrijven bij een nieuwe verandering van de inrichting alsnog gedane investeringen terug te draaien of extra investeringen te maken om aan de nieuwe emissiefactoren te kunnen voldoen.

Gevolgen voor omwonenden

Met de wijziging van de geurreductiepercentages van de gecombineerde luchtwassystemen wordt voorkomen dat bij nieuwvestiging of uitbreiding van veehouderij de geuremissie wordt berekend met te lage geuremissiefactoren en omwonenden van (nieuwe) veehouderijen kunnen worden blootgesteld aan een te hoge geurbelasting.

Overige maatregelen

Doordat tot 20 juli 2018 vergunningen aan veehouders zijn verleend voor het houden van vee op basis van te hoge rendementen van luchtwassers, zijn onbedoeld overbelaste situaties ontstaan. In april kondigde de staatssecretaris al aan een commissie in te stellen die zal gaan onderzoeken welke maatregelen op korte termijn mogelijk zijn ten behoeve van omwonenden in gebieden waar de geurnorm wordt overschreden.

Eind juni heeft de staatssecretaris de commissie Geurhinder Veehouderij de opdracht gegeven om aanbevelingen te doen die gericht zijn op het op de korte termijn verminderen van geurhinder in de situaties waarin de veehouderij beschikt over een geldige vergunning en naar nu blijkt de omwonenden meer overlast ondervinden dan op basis van de vergunningverlening verwacht mag worden. De staatssecretaris heeft daarbij aangegeven dat omwonenden, veehouderij, gemeenten en andere belanghebbenden zullen worden betrokken bij de uitvoering van de opdracht.

De commissie zal naar verwachting deze zomer nog met haar bevindingen komen. Op basis daarvan zal de staatssecretaris in het najaar een beleidsreactie aanleveren. Ik houd u uiteraard op de hoogte!

Vragen? Neem dan gerust contact met mij op.