blog

    Korte spuitzone in bestemmingsplan onderuit. Het belang van locatiespecifiek onderzoek

    Renske van DreumelPublicatiedatum: 19 april 2016Laatste update: 14 augustus 2019
    Korte spuitzone in bestemmingsplan onderuit. Het belang van locatiespecifiek onderzoek

    Op 30 maart 2016 is er een belangrijke uitspraak verschenen over het vaststellen van een spuitvrije zone (kortweg spuitzone). In deze zaak beoogt de gemeente verplaatsing van een landbouwmechanisatiebedrijf (met een bedrijfswoning) naar een locatie die grenst aan gronden voor fruitteelt en akkerbouw. De fruittelers en akkerbouwers komen op tegen het bestemmingsplan omdat zij vrezen voor een belemmering van hun bedrijfsvoering. Waarom deze actie? Omdat op hun gronden gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. De drift die daarbij kan ontstaan zou volgens de fruittelers en akkerbouwers schadelijke gevolgen kunnen hebben voor de gezondheid van de toekomstige bewoners van de bedrijfswoning en de werknemers van het landbouwmechanisatiebedrijf. Volgens hen is gekozen voor een te korte spuitzone. De Raad van State is het hiermee eens. De spuitzone van 10,7 meter breed gaat onderuit.

    Juridisch

    In mijn blog “Bestaande spuitzone en nieuwe woonwijk, is dat een probleem?” van 15 januari 2016 heb ik uiteengezet dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging moet worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Op grond van deze afweging kan het noodzakelijk zijn om een spuitvrije zone aan te houden. Welke afstand (minimaal) aangehouden moet worden, is niet in een wettelijke regeling voorgeschreven. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Vaak stellen appellanten in beroep dan ook dat een afstand van 50 meter aangehouden moet worden. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Uit diezelfde rechtspraak volgt dat dit een locatiespecifiek onderzoek moet zijn. De uitspraak van de Raad van State van 30 maart 2016 onderstreept dit.

    Korte spuitzone

    De spuitzone in dit geval had een breedte van 10,7 meter.  De Raad van State acht onvoldoende onderbouwd dat een spuitzone van 10,7 meter in dit geval voldoende is om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat veilig te stellen. De gemeente had ter onderbouwing van de spuitzone een locatiespecifiek onderzoek laten uitvoeren. Dit locatiespecifiek onderzoek maakte gebruik van het rapport van Plant Research International Wageningen UR (verder: ‘PRI’) “Driftblootstelling van omstanders en omwonenden door boomgaard bespuitingen” van maart 2015. Wat ging er mis?

    Rapport van PRI 2015

    Het rapport van PRI 2015 is opgesteld met de bedoeling om in algemene zin duidelijkheid te geven aan onder meer gemeenten welke afstand (spuitzone) bij (fruit-)boomgaarden onder welke omstandigheden aanvaardbaar is. Er wordt in het rapport van PRI 2015 rekening gehouden met verschillende spuittechnieken (standaardspuittechniek of spuittechniek met 75% of 90% reductie), het meest schadelijke beschermingsmiddel, de situatie zonder groenhaag of met één of twee groenhagen, en de situatie met of zonder ligging aan oppervlaktewater. Op basis van dit rapport wordt in de standaard situatie (zonder groenhaag en niet gelegen aan een watergang) bij (fruit-)boomgaarden een afstand van 35 meter afdoende geacht. Met een groenhaag is in de standaard situatie een afstand van 15 meter afdoende.

    Vertaling naar locatiespecifiek rapport

    In de planregels was een groenhaag verplicht gesteld. Gelet hierop zou volgens het rapport van PRI 2015 een veilige afstand van 15 meter toereikend zijn. De afstand was echter maar 10,7 meter. Hoe kwam de gemeente tot het oordeel dat deze kortere afstand acceptabel zou zijn?  In het locatiespecifiek onderzoek werd op basis van gegevens uit het rapport van PRI 2015 door middel van interpolatie een spuitzone berekend van 10,5 meter waarbij precies aan de norm voor blootstelling aan drift zou worden voldaan. Het rapport van PRI 2015 werd dus ‘vertaald’ naar de feitelijke situatie. Dat deed de gemeente echter niet op een correcte manier. Zo bleken de feitelijke omstandigheden te verschillen van de omstandigheden in het PRI rapport 2015 (spuithoogte, hoogte van de fruitbomen, te verspreiden volume, spuitdruk en windsnelheid). Een verhoging van de driftdepositie met een factor 10 om dit te corrigeren vond de Raad van State onvoldoende onderbouwd. Over de hoogte van de fruitbomen geeft de Raad van State specifiek aan dat moet worden uitgegaan van de hoogte van volgroeide bomen. Als de groenhaag lager is dan de bomen moeten de gevolgen hieran voor de driftbeperking nader onderzocht worden (het effect is waarschijnlijk minder). Ook dit was nagelaten. De Raad van State acht het ‘vertalen’ van het PRI rapport 2015 met name bezwaarlijk omdat PRI als veiligheidsmarge intervallen van 5 meter aanhoudt, welke marges wegvallen als de spuitzones uit het rapport van PRI 2015 worden geïnterpoleerd. Daarbij komt dat de Raad van State het rapport van PRI 2015 in zijn algemeenheid in twijfel trekt. De Raad van State overweegt namelijk dat het rapport van PRI 2015 geen solide basis biedt voor een locatiespecifiek onderzoek, voor zover het gaat om de beoordeling van drift naar de lucht. In het rapport van PRI 2015 wordt een depositiecurve gebruikt die is gemaakt aan de hand van monsterpunten voor de depositie op de grond (en niet van drift naar de lucht). Gelet hierop kan voor de beoordeling van drift naar de lucht niet zonder meer worden aangesloten bij deze depositiecurve. Niet uitgesloten is dat de beoordeling van drift naar de lucht nader is onderbouwd in een rapport van PRI van 2014, maar aangezien dit niet is gepubliceerd laat de Raad van State dit buiten beschouwing.

    Conclusie

    Gelet op de uitspraak van de Raad van State kan het rapport van PRI 2015 in de praktijk alleen gebruikt worden als de omstandigheden in kwestie niet verschillen met de omstandigheden beschreven in het PRI rapport 2015. Als er sprake is van afwijkende omstandigheden dan zal het effect daarvan nader moeten worden onderzocht en onderbouwd. Bij afwijkende omstandigheden is het dus niet onmogelijk om aan te tonen dat een kortere spuitzone aanvaardbaar is, al lijkt dat wel lastig te onderbouwen. Bovendien is het aan te raden (ook in het geval de omstandigheden gelijk zijn aan het rapport van PRI 2015) om een nadere onderbouwing te geven van de beoordeling van drift naar de lucht. Het lijkt erop dat PRI dit onvoldoende heeft gefundeerd in het rapport van 2015. Voor alle duidelijkheid: het rapport van PRI 2015 ziet op de spuitzone bij (fruit-)boomgaarden. Bij het bespuiten van andere gewassen kan gezien de rechtspraak van de Raad van State de veilige afstand, mits onderbouwd, groter dan wel kleiner zijn dan bij fruitbomen. Zo is de veilige afstand bij bloembollen, gelet op de neerwaartse spuittechniek, waarschijnlijk kleiner.

    Toekomst: beter vooruitzicht

    In de toekomst wordt een kortere spuitzone waarschijnlijk sneller acceptabel bevonden. De verwachting is namelijk dat (waarschijnlijk in 2017) in het Activiteitenbesluit milieubeheer strengere eisen worden gesteld aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Zo wordt het waarschijnlijk verplicht om met 75% reducerende doppen te spuiten. Op grond van het rapport van PRI 2015 is dan een afstand van 30 meter toereikend. Met een groenhaag is in dat geval 5 meter afdoende. De in dit geval gekozen veilige afstand van 10,7 meter zou in de nabije toekomst dus wel eens toereikend kunnen zijn. Al moet de gemeente ook dan de effecten van de specifieke omstandigheden (in relatie tot het rapport van PRI 2015) onderbouwen. Maar pas op: zo lang de nieuwe regeling niet geldt, mag hierop niet worden voorgesorteerd. Relevant is verder dat er momenteel een landelijk (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) onderzoek loopt. Mocht hieruit volgen dat spuitzones achterhaald zijn, omdat de gewasbeschermingsmiddelen die tegenwoordig gebruikt mogen worden niet schadelijk zijn voor de volksgezondheid (ook zonder veilige afstanden aan te houden), dan verandert dit uiteraard een hele hoop. Zo lang de resultaten van dit onderzoek er nog niet zijn, kan hierop niet worden vooruitgelopen. De Raad van State zette dan ook een dikke streep door het hierop gebaseerde verweer van de gemeente.