blog

    Melkkoe of zoogkoe: wat is het nu?

    Peter Goumans
    Peter GoumansPublicatiedatum: 8 oktober 2020Laatste update: 21 oktober 2020
    Melkkoe of zoogkoe: wat is het nu?

    Uit de definitie van het begrip ‘melkvee’ in de Meststoffenwet (artikel 1 lid 1 onder kk sub 1 van de Meststoffenwet: melk- en kalfkoeien, te weten koeien (bos taurus) die ten minste éénmaal hebben gekalfd en die voor de melkproductie of de fokkerij worden gehouden met inbegrip van koeien die drooggezet zijn alsmede koeien die worden vetgemest en in de mesttijd worden gemolken) valt af te leiden dat zoogkoeien daar niet onder vallen.

    Dat betekent meteen ook dat voor het houden van zoogkoeien geen fosfaatrechten zijn vereist. Dat is althans het standpunt dat het College van Beroep voor het bedrijfsleven sinds de uitspraak van 25 juni 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:244) inneemt. Voor zoogkoeienhouders bestaat dus duidelijkheid.

    Dat zou je in ieder geval zeggen. Toch zijn er ook uitspraken die dit tegenspreken. Het onderscheid tussen een melkkoe en zoogkoe is blijkbaar toch niet altijd makkelijk te maken.

    Kwalificatiekwestie

    Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft op 22 september 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:642) namelijk een uitspraak gedaan die weer voeding geeft aan de discussie over de kwalificatie van vrouwelijke runderen die hebben afgekalfd. In deze recente uitspraak rept het College van Beroep voor het bedrijfsleven over een kwalificatiekwestie. Met de richtinggevende uitspraken die het College van Beroep voor het bedrijfsleven in 2019 deed is de kwestie dus kennelijk niet afgedaan.

    Of toch wel? Een week later (29 september 2020) doet het College van Beroep voor het bedrijfsleven een uitspraak (ECLI:NL:CBB:2020:656) in een vergelijkbare zaak met een uitkomst die weer aansluit bij de eerder ontwikkelde rechtspraak. Hoe kan dat?

    Melkkoe of zoogkoe: bestemming dier op peildatum

    Het College van Beroep voor het bedrijfsleven onderkent dat het onderscheid tussen een melkkoe en een zoogkoe niet altijd makkelijk is te maken en mede afhangt van de omstandigheden op het rundveebedrijf. Daaraan voegt het College toe dat de bestemming van het dier op de peildatum bepalend is en de I&R-registratie in beginsel leidend is. En daar zit hem de kneep.

    In de laatstgenoemde uitspraak hield de veehouder 16 dubbeldoelkoeien (vlees en melk) die als zoogkoeien (diercategorie 120) stonden geregistreerd. De koeien werden op de peildatum (2 juli 2015) niet gemolken. Het plan was wel om de koeien te gaan melken. Op de peildatum werd de melk nog aan de kalveren gevoerd, in oktober 2015 is de veehouder de melk echter aan de zuivelfabriek gaan leveren. Dat acht het College niet relevant. Wijziging van de bestemming van de koeien na de peildatum is volgens het College niet van belang.

    Dit ligt in de lijn van de rechtspraak die in 2019 al door het College werd ontwikkeld. Het College verwierp het standpunt van de veehouder dat van melkvee sprake was. De Minister hoeft dus geen fosfaatrechten voor dit vee te berekenen.

    I&R-registratie is leidend?

    In de uitspraak van 22 september 2020 was de bedrijfssituatie vergelijkbaar, maar het vertrekpunt anders.

    De veehouder hield op de peildatum naast jongvee 51 koeien. Alle melk daarvan werd aan de kalveren gevoerd. Volgens de veehouder werd alle melk aan het jongvee gevoerd om zijn veestapel via eigen aanwas te laten groeien, om vervolgens weer melk te kunnen gaan produceren voor de verkoop.

    Alle koeien stonden geregistreerd in diercategorie 100 (melk- en kalfkoeien). Het College ziet die registratie als leidend en geeft aan dat het op de weg van de Minister ligt om gemotiveerd te onderbouwen dat sprake is van zoogkoeien en twijfel te zaaien over de status van de betreffende koeien.

    De Minister werpt op dat de koeien geen melk produceerden voor de verkoop en consumptie en een deel van het vee uiteindelijk ook is geslacht. Dat duidt volgens de Minister op vleesveehouderij waar geen fosfaatrechten voor nodig zijn.

    Het College vindt dat allemaal niet voldoende om twijfel aan te nemen over de registratie van de koeien. Het College volgt daarom het betoog van de veehouder en bepaalt dat de Minister alsnog fosfaatrechten dient te berekenen voor de 51 koeien.

    Daarbij instrueert het College dat de Minister rekening dient te houden met de fosfaatruimte op het bedrijf en de melkproductie in 2015. Die laatste instructie zal nog hoofdbrekens opleveren.

    Conclusie

    De twee besproken uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven bijten elkaar bij nadere beschouwing niet. Alhoewel de bedrijfsvoering van beide veehouders niet of nauwelijks verschilt constateert het College wel een relevant juridisch onderscheid: de I&R-registratie. Als het gaat om 120-koeien is het aan de veehouder om aannemelijk te maken dat die registratie feitelijk niet juist is. Bij categorie 100-koeien moet de Minister aan de bak.

    Heb je nog vragen? Neem dan gerust contact met mij op.