blog

    Natuurbeschermingswetvergunning: rol meitelling

    Peter Goumans
    Peter GoumansPublicatiedatum: 28 mei 2015

    Op basis van een in uit 1980 daterende Hinderwetvergunning verleenden gedeputeerde staten van Utrecht een Natuurbeschermingswetvergunning aan een melkveehouderij. Een tweetal milieugroeperingen kwam daartegen in het geweer bij de Raad van State. Zij wezen er op dat door de werking van – het in 1993 vervallen – artikel 27 lid 3 Hinderwet vanwege onderbezetting op het melkveebedrijf de Hinderwetvergunning deels was vervallen. Artikel 27 lid 3 van Hinderwet bepaalde dat in het geval gedurende tenminste drie achtereenvolgende jaren minder dieren werden gehouden, de vergunning voor dat deel verviel. Gedeputeerde staten hadden daar geen onderzoek naar gedaan. De Raad van State overweegt (uitspraak van 20 mei 2015, zaaknummer 201405347/1) dat als er geen tekenen zijn dat minder dieren werden gehouden geen verplichting bestaat om een ambtshalve onderzoek in te stellen. De Milieugroeperingen overlegden echter meitellingen waaruit bleek dat het aantal melkkoeien gedurende een reeks van jaren beduidend lager lag dan vergund was. De Raad van State oordeelt dat in zo’n geval de bewijslast bij gedeputeerde staten komt te liggen. Gedeputeerde staten hadden nagelaten concrete gegevens (zoals accountantsgegevens, aan- en verkoopbonnen of mestboekhouding) te verzamelen om de meitelling-gegevens te weerleggen. Om die reden sneuvelde de vergunning. Meitellinggegevens kunnen in beroepsprocedures bij de Raad van State dan ook van doorslaggevend belang zijn. Omdat onder de PAS de feitelijke dierbezetting bepalend is, blijft dit soort informatie cruciaal. De referentieperiode voor de PAS ligt in de jaren 2012, 2013 en 2014.